We zijn al dik gaan uitzien naar 't pakske woorden dat wij van u verwachtende zijn, om de tweede korenzang[1] veerdig te krijgen; maar nog niets gezien. Gij hebt zeker te veel ander werk. 't Was anders goed, dunkt mij, kosten wij den tweeden n° redelik gauw op den eersten doen volgen, want den eerste en heeft niet aangestaan aan veel jonge bazen, omdat hij hun te geleerd en te droog was, zeiden ze. Als wij nu in den tweeden: 1° Woordenzange[2] 2° darren[3] 3° Limburgsch Wangeloof 4° Ons boek- en boekstafwezen I zetten, dan zal er wat meer verscheidenheid in 't Daghet zijn en ze zullen het aangenamer vinden.
Tot Mechelen in 't groot en in 't klein Seminarie zijn er een heelen hoop gereed om in te schrijven als zij der eens wat meer van gezien hebben. Met den derden kunnen wij dan wat langer wachten, om laten te voelen dat wij niet beloofd hebben altijd getrouw ieder maand af te komen.
Hierbij een artikelken, uit de Onafhankelijke van Hasselt, van eenen schoolmeester geschreven, over 't eerste Daghet.[4] De drukker klaagt al dat er op den kladprinte van den eerste n° te veel veranderingen gedaan woorden en dat hij er drij keeren zoveel werk meê gehad heeft als hij gewend is, en hij beschuldigt ons dat wij Luutgarde en Lutgaarde, Michel en Miechel hebben laten drukken, maar de man vergeet te zeggen dat hij de omslag zoo maar afgelaptp2heeft zonder ons nog een kladprent te schikken na de eerste. Anders en had er al dien rimram immers niet opgestaan. Toekomende keer zullen wij zóó de omslag maar doen drukken, nietwaar?
't Daghet in den Oosten
Prijs ......
bij Michiel Ceysens etc -
en dan achteraan op den vierde zijde de berichten die er nu op stonden. Maar van maanden en letterkunde etc. en spreken wij niet meer.
Ik heb van onzen goeden Heer Prof. Daris twee boeken te lezen gekregen waar in den eenen 3 Chronijkjes van St-Agnetenklooster van Maeseyck[5] in staan, en in den andere de Kronijk van de landen van Overmaas.[6]
Koob heeft de Kronijk voor hem gepakt en ik heb de 3 Chronykskes van Maeseyck gelezen. 't Is heel schoon oud Limburgsch maar de Kroniek van Overmaas is nog veel schoonder.
Hierbij wat ik er uit opgeschreven heb, en een artikelken der over met een uittrek,[7] die misschien te lang is? Koob heeft al vier honderd woorden en wendingen uit de zijne op papierlingskes geschreven en is ook van zin er een artikel over te maken voor Boek- en boekstafwezen, maar hij is nog kreeg[8] op de helft van zijne Kronijk die bij de 300 bldz. 8°[9] in heeft. Moet hij voortgaan met opschrijven, of hebt gij den boek ook? Wij denken van neen, want anders hadt gij er zeker al over geschreven, zoo merkweerdig is hij.
Ik zou u geeren de twee boeken laten zien maar ik dar het maar slecht vragen aan Mr Daris van ze u op te sturen, omdat hij zoo p3bang is dat wij zijn boeken zouden verloren doen. Maar toch, als gij ze geeren hebt zullen wij er wel trachten aan te geraken.
Morgen[10] gaan wij naar den Musæum van stad om eenige oude rijmen af te schrijven van ouderwetsche snuifdoozen. Kunt gij geen runen lezen of weet gij niemand die het kan? Daar staat hier nen oude pot waar twee lange reeken van zulk geschrift op gesneden staan. Dat ware iets schoons, misschien, voor 't Daghet![11]
Als 't u te lastig zou vallen die kladprenten blijven te verbeteren, gij kunt u van 't werk afmaken: E.H. Daniëls zou er hem wel meê gelasten. Hij kost dat goed, daar hij alle weken bij Ceysens komt en tijd genoeg heeft. Meugen wij uwe werken ook aankondigen, op een achterkant van 't Daghet? Wij zouden zoo geeren hebben dat ze in Limburg gelezen worden wi in Vlanderen! Maar ons volk en weet daar och arme! nog niets af. Zij meenen nog altijd dat er achter Ledeganck niet meer gedicht geweest is of niet meer gedicht kan worden in ons land. En de landliederen van K. de Gheldere enz? Dat maakt immers onze zaak en onze mannen bekend en vereerd, en daar is plaats genoeg over.
Een professor, die Reinaard de Vos zou willen uitleggen in zijne school, vraagt mij welke de beste uitgaaf van 't oud epos is en waar ze zou te krijgen zijn? Weet gij dat niet te berichten? Hij ware er zeer dankbaar voor. 't Is E.H. Segers, een van ons gulleken, die nu te Hasselt in 't Sint-Jozefscollege vlaamsche les moet geven.
Met laetare-zondag[12] hebben wij een vlaamsch feest ter eere van St-Franciscus de Sales. Wij p4gaan den koor: Onendig wezen, God van G. Gezelle-Mervillie zingen, met nog een van de 12 liederen erbij. Dat is muziek! niet waar?
Arthur is verleên week hier geweest, hij maakt het bezonder goed en komt er heel mannelik en deftig uit. Wij vreesden nochtans dat hij niet zou kunnen aarden onder dat Walevolk van Verviers, maar hij heeft zijn zuster bij hem en een West-Vlaming die ook kapelaan is in de stad, en hij kalde weêr heel West-Vlaamsch, zoodat zijn taal hem nog altijd, diep in 't herte, dierbaar spreken blijft. Hij hoopt toch dat hij zeker in Limburg zal komen als hij een jaar of drij te Verviers gestaan zal hebben met eere en vrucht. 't Is immers een beloning voor een goede vlaamsche werker die in 't Waleland gestoken geweest is, dat hij pastoor werdt in zijn eigen land. Nog iets voor Boek- en boekstafwezen. —
“Dat ierste boeck vanden nieuwe duytsche liedekens met III. IIII. V. VI en VIII partyen. van excellente Musiciens nu corts in musijcke ghestelt, bequaem om te singhen, ende op instrumenten te spelen.[13] Tenor. Des deux côtés de la vignette se trouve cette devise: David cum cantoribus citha-ram percutiebat.[14]
Met Previlegie van beyde onze genaedighe Heeren gedruckt tot Maestricht by my Jacob Baethen MDLIIII in de maent van Noveber, voor hem ende Hendrick Peymans; boeckvercooper.” In 4°[15] oblong[16] de 26 feuilles[17] Le verso de la 1re feuille est resté en blanc, sur le recto de la seconde se trouve une lettre de l'imprimeur, qui commence par ces mots: “aan eerweerdighen ende Edelen heer h. Inghielhert Hengelstede, proost tot Wassenborch, Canoninck tot sint Servaes te Maestricht etc.” “Jacob Baethen, saluyt” (Publications etc. 262)[18] t Is prof. M. C.P. Serrure die den boek gevonden heeft. Mag hij hem heruitgegeven hebben of zou er niet achter te komen zijn?
De chronijk der Landen van Overmaas.[21]
Wat merkweerdig is voor den eenen, bijvoorbeeld, voor eene kloosterzuster, en zal het altijd niet zijn voor eenen priester of eenen ouden huisman; en schrijven deze lieden de merkweerdigste gebeurtenissen en voorvallen van hunnen tijd op, hunne kronijken of jaarboeken zullen altijd een aanmerkelik verschil toonen.
De inhoud van deze Kronijk, hare wijze van voordragen en de eentige kleinigheden die de schrijver ons over zijn eigen aanhaalt, zeggen en toonen ons genoeg wie hij was, al maakt hij ons ook zijnen naam niet bekend.
"Uit zijn verhaal blijkt, zegt Jos. Habets die er een deel van uitgegeven heeft in de Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, tome VII, 1870, dat de schrijver een inwoner is geweest van Beek, bij Meersen. Hoogst waarschijnlijk was hij een priester, wel ervaren in het Latijn en in het Vlaamsch. Zijn schrijftrant en het gebruik van eene menigte woorden uit den tongval onzer streken kenmerken iemand, die een groot deel van zijn leven in het land van Valkenberg heeft doorgebracht."
Ziedaar over den opsteller; nu over het handschrift zelf. "Het werd in 1854 ten voordeele der Borgondische bibliotheek aangekocht uit handen van den heer Fred. Muller, boekhandelaarp2te Amsterdam." - "Het maakt een band uit met een exemplaar der Excellenste Cronike van Brabant, gedrukt bij Roland van den Dorp, te Antwerpen 1497, in groot 4to."[22] De gedrukte Ch ronijk van Dorp, telt 408 bladzijden; zij is gevolgd door het handschrift van onzen schrijver bestaande 130 bladzijden, geschreven op stijf papier, in twee kolommen, in klein geprest maar duidelijk schrift."
Nu over den inhoud. Ik laat altijd Jos. Habets spreken: "Dit handschrift neemt zijnen aanvang met eene lijst der voornaamste heiligen van het kerkelijk jaar, met het tijdstip van hun overlijden. Dan volgt eene nota van kosten, veroorzaakt in 1474, door Karel den Stoute, tijdens het beleg van Neuss,[23] en eene lijst der koningrijken en vorstendommen der Christenheid. Eindelik verhaalt hij de geschiedenis van het oude verbond, van af de schepping der wereld tot op den tijd der komst van Mozes. = De laatste 84 bladzijden bevatten de gebeurtenissen van zijnen leeftijd, die hij zoo veel mogelijk jaar voor jaar en feit voor feit getrouw aanteekent en beoordeelt."
De aanteekeningen van onzen schrijverp3schijnen te beginnen in den jaeer ons Heren dusent CCCC inde LXVIII en te loopen tot 1507
Zij mogen gemakkelik tot drie soorten teruggebrocht werden.
1° De oorlogen die de landen van overmaas en andere gewesten plaagden: "Got bettert!” - De jamer off drucke der huysluyden, enz. die er de gevolgen van waren. "Got herbarmps!" - De oorzaken van die veten, en een zalig lesken hier en daar. "O arme lantmaen! Rueppe Got aen, inde better dych ouch van dynen sonden, doer du nu diesse ploeghe myt verdyent moges hobben ... Better dich het is mee daen tyt!"
2° Wi en welke closter erstwerff syn aen gehaeven inde begonnen, of verwandelt of verganghen of wi sy totter reformacie quaemen. Bij kans het alik leste deel rolt daarover.
3° Van de onweders, van de goede en kwade jaren, van de ziekheden die de menschen plaagden, enz.
4° Verschillige kleindere gebeurtenissen, (bij zonder die in Beick gebeurt zijn,) als 't bouwen van bruggen, en kerken, 't afsterven van den eenen of den anderen, 't afbranden van schuren en huisen, enz. enz.
Over den schrijfzwang zal ik u zelf laten oordeelen: eene eigenaardigheidp4die ik niet onopgemerkt kan laten, is, dat hij schrikkelik woordenrijk is en bekans geen woord zult ge vinden, of het heeft er één en somtijds vier of vijf synoniemen achter. Luistert:
In den selfden jaer (MCCCC inde) LXVIII due quam der Coninck van Vranckryck inde hertoch Karle (de Stoute) voer die edele staet van Ludich,[24] inde sach die edele gloriose, herlicke staet also erbermelick inde jemerlick destrueren inde te schande maken als je kersten staet te schande mocht gemaekt werden ...... inde sy wonnen die staet van Ludick inde quamen daer in omtrent alre Heyligen avent. Men sacht dat die staet verraden waert van bynnen. Inde als sy daer in quamen inde die staet gewonnen hadden myt storme inde myt honnen geschuet, so geberden sy wonderlicke in die staet, nyet als kersten luyden mer als heyden inde Zarazynen. Want sy en sparden Got noch syne moder, noch Kyrcke noch Kluyse, noch closter noch Kyrckhoff; inde sy mackten die edele inde kostelicke, schoene staet al so jemerlick te schande, inde sy destruerden also barmelicke als ye staet in der Korstenheyt geschant inde vernylt mocht werden. Want syp5sy schanden die heylige Kyrcke, men sloch prister aen den elter doet, die noch inder myssen stonden, sy noemen den prister die kellicken uytten handen, er dat bloet Gotz daer uyt genuet waes, inde storden inde gotten dat op die eltere, en lyeppen myt die kellicken ewech. Sy noemen die corporalen den prister vanden elter en schodden dat heylighe Sacrament opten eltter, inde mackden boersdueck daeraff, sy brocken die Heyldoms schapper op, inde noemen die syborie en woerpen dat heyldom doer uyt op die erde. Den wonder ende dat overvlodig grot bermelick jamer dat doer geschiede Gode, te vorste inde der heyliger Kyrcke, dat en is nyet uyt te spreken noch te schryffen.
Sy violerden inde schanden die heilige Kyrcke, inde die kloster al so jemerlick dat syt doeruyt al so nauwe ewech noemen inde rouffden, dat daer nyt in en bleyff noch kellick, noch boeck, noch kassel, noch alff. Sy deden die clocken aff en vorden sy myt hoen ewech, men en lyet daer nyet in die kyrcke noch luchtter, noch bylden, noch lacken, noch belden; men nampt al so nauwe, watp6sy kreghen konden, dat sy den pristeren nyet eynen pselter en hedden gelaeten, daer sy hoen getijden uyt gelesen hedden. Sy leyfden alte onredelicke mytten orlomenten der heiliger Kyrcke; sy deden die orlomenten der heiliger Kyrcken aen, alffven inde kasselen en des gelicke en vermompden hoen daermyt, inde gynghen daermyt danssen, dat ichs eyndeyls[25] sach dat dit also geschiede. Inde dit waes byllick eyn alte groet ontfarmelick jamer der heiliger Kyrcke. Inde hyr oem so mach ich woel schryffen inde seggen, dat sy nyet en deden noch en leyffden als Korsten mynsschen, mer als duvelen inde verwoede Turcken en Heyden. Als sy Gode inde der heyliger Kyrcke desen smoet inde spyt gedaen hadden, so en waest noch nyet genoch. Sy en sparden Kyrck, noch Kyrckhoff; sy sloegent all doet, noch kyndebeyt, noch heydenschap, sy schandent al te mael daer sy quamen. Sy en hadden gheyn ontfarmherticheyt in hoen lyff; sy worpent al in die Masse, jonck inde alt, cleyn en groet, geystelick en wertlick, pappen en clercken. Sy en hadden gheyn ontfarmherticheyt over nyemant, mer wat sy betroeden dat most die kelle aff hebben off in die Masse. Sy warppen alde luyden die bleynt en deuff waeren in die Masse, vroukens myt suyckende kynderen,[26] p7Nu wat anders, en dit is getrokken uit de kantteekeningen door onzen schrijver bij de Cronike van Brabant gevoegd.
Mortbrant tot Beick.[27] Inden joer ons lyeffs Heren M.CCCC inde LXXVJ, so geschach eyn ser wonderlicke mortbrant te Beick, inden lande van Valkenborch; inde dat in diessen manyeren. Doer wonden eyn paer erms volcks, inde doerbey quam eyn cleyn, jonck, suverlick mechtgen, myt naemen geheytten Styncken; inde gynck byster achter straetten, inde also dat het scheyn, hadde heet gerne eynen dynst gehaet oem syn broetgen te wennen. Also slocht diesse arme vrouwe vurs. oem Gotz wyllen aen, inde naempt by hoer in te woenen.
Terstont daernoe nyet langhe inden oustmont, als dat hart koeren in waes, oemtrent IX uyren vuer myddedaghe, so gynck aen eyn schuyre vol korns aller neyst neyffven hoen op die eyn syde, doer dat boesse keynt wonde, inde verbrande te gronde al kael aff myt mer huyssynghen.
Terstont hyr noe over twe off dry daghen so gynck wederoem, oemtrent X uyren vuer myddedaghe, regt teghen hoem over die stratte, eyn schoen nuwe schuyre aen, vol rogge inde terwe, inde verbrande al kael inden gront aff. Doer waert grotten arbeyt gedoen vanden naegebuyren myt lesschen inde watter te draghen; inde doer lieppe dit onsalyghe mechtgen mytten anderen gueden vrouwen inde mechtden inde droeghe off halde also vromelicke watter narder, so hertelicke inde getrouwelicken, myt grotten arbeyt inde vlytte, als eyngch ander onder den houppe. Want ich dee dit hyr heet geschreyffven, sach dit myt mynen oughen.[28]p8Dan vertelt onze schrijver voorder hoe nog menig ander huis afbrande, hoe het eigen huis van Styncken's baas, alsook het nieuw en geleend huis, waar ze na die ramp introkken, aangingen en vernielt worden, hoe de dorpelingen met eenen ijsseliken schrik bevangen waren, en "vasden en noetmyssen deden, processy gyngen, bedevart gyngen" enz.[29]
Nu:
Terstont hyr noe nyet langhe so gynge ouch dat huyss aen, dat der pastoer vurs. hoen in so grotter truwen geleynt hadde, inde verbrande al kael te gronde aff.
Inde als dit nu geleyst waes, inde sy opter straette by eyn soetten inde raesden (rusteden) sych, so geheyncde Got almechtig, dat dit boesse keynt of[30] mechtgen vurs. quam te sytten neyffven eynen gueden huysmaen, inde dee waert ruyckende inde sprack hart uyt inde sacht alsus: "Mych duncket dattet hyr al swevelachtich[31] ruycket." Inde myt denen worden so waert dat boese mynssche ser ontdoen int angesychtte, inde stonde mytten selven hastelicken op inde meynde ewech van doer te goen. Due greyp der huyssmaen vurs. dit bosse mynssche mytten sorget, en toeghe sy wederoem nyeder. Inde het waes die aventuyre, dat hoem der dyeffsack in die hant quam, doer sy alle die qereytschappen van puylver, swegel in hadde oem wecken te maken, inde ouch gemacktede wycken, oem noch mer quaetz te doen.
Als dit dat volck sach, so waes doer groet rumour. Wonder waest, dat sy dat boesse mynssche nyet myt tanden en schorden. Doch sy waert gevanghen, inde tot Valkenborgh op gevoert; inde doer saet sy eyne wyle tydz...[32]







