<Hit 1157 of 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Weleerweerde Heer en goede Meester,

We zijn al dik gaan uitzien naar 't pakske woorden dat wij van u verwachtende zijn, om de tweede korenzang[1] veerdig te krijgen; maar nog niets gezien. Gij hebt zeker te veel ander werk. 't Was anders goed, dunkt mij, kosten wij den tweeden n° redelik gauw op den eersten doen volgen, want den eerste en heeft niet aangestaan aan veel jonge bazen, omdat hij hun te geleerd en te droog was, zeiden ze. Als wij nu in den tweeden: 1° Woordenzange[2] 2° darren[3] 3° Limburgsch Wangeloof 4° Ons boek- en boekstafwezen I zetten, dan zal er wat meer verscheidenheid in 't Daghet zijn en ze zullen het aangenamer vinden.

Tot Mechelen in 't groot en in 't klein Seminarie zijn er een heelen hoop gereed om in te schrijven als zij der eens wat meer van gezien hebben. Met den derden kunnen wij dan wat langer wachten, om laten te voelen dat wij niet beloofd hebben altijd getrouw ieder maand af te komen.

Hierbij een artikelken, uit de Onafhankelijke van Hasselt, van eenen schoolmeester geschreven, over 't eerste Daghet.[4] De drukker klaagt al dat er op den kladprinte van den eerste n° te veel veranderingen gedaan woorden en dat hij er drij keeren zoveel werk meê gehad heeft als hij gewend is, en hij beschuldigt ons dat wij Luutgarde en Lutgaarde, Michel en Miechel hebben laten drukken, maar de man vergeet te zeggen dat hij de omslag zoo maar afgelaptp2heeft zonder ons nog een kladprent te schikken na de eerste. Anders en had er al dien rimram immers niet opgestaan. Toekomende keer zullen wij zóó de omslag maar doen drukken, nietwaar?

't Daghet in den Oosten

Prijs ......

bij Michiel Ceysens etc -

en dan achteraan op den vierde zijde de berichten die er nu op stonden. Maar van maanden en letterkunde etc. en spreken wij niet meer.

Ik heb van onzen goeden Heer Prof. Daris twee boeken te lezen gekregen waar in den eenen 3 Chronijkjes van St-Agnetenklooster van Maeseyck[5] in staan, en in den andere de Kronijk van de landen van Overmaas.[6]

Koob heeft de Kronijk voor hem gepakt en ik heb de 3 Chronykskes van Maeseyck gelezen. 't Is heel schoon oud Limburgsch maar de Kroniek van Overmaas is nog veel schoonder.

Hierbij wat ik er uit opgeschreven heb, en een artikelken der over met een uittrek,[7] die misschien te lang is? Koob heeft al vier honderd woorden en wendingen uit de zijne op papierlingskes geschreven en is ook van zin er een artikel over te maken voor Boek- en boekstafwezen, maar hij is nog kreeg[8] op de helft van zijne Kronijk die bij de 300 bldz. 8°[9] in heeft. Moet hij voortgaan met opschrijven, of hebt gij den boek ook? Wij denken van neen, want anders hadt gij er zeker al over geschreven, zoo merkweerdig is hij.

Ik zou u geeren de twee boeken laten zien maar ik dar het maar slecht vragen aan Mr Daris van ze u op te sturen, omdat hij zoo p3bang is dat wij zijn boeken zouden verloren doen. Maar toch, als gij ze geeren hebt zullen wij er wel trachten aan te geraken.

Morgen[10] gaan wij naar den Musæum van stad om eenige oude rijmen af te schrijven van ouderwetsche snuifdoozen. Kunt gij geen runen lezen of weet gij niemand die het kan? Daar staat hier nen oude pot waar twee lange reeken van zulk geschrift op gesneden staan. Dat ware iets schoons, misschien, voor 't Daghet![11]

Als 't u te lastig zou vallen die kladprenten blijven te verbeteren, gij kunt u van 't werk afmaken: E.H. Daniëls zou er hem wel meê gelasten. Hij kost dat goed, daar hij alle weken bij Ceysens komt en tijd genoeg heeft. Meugen wij uwe werken ook aankondigen, op een achterkant van 't Daghet? Wij zouden zoo geeren hebben dat ze in Limburg gelezen worden wi in Vlanderen! Maar ons volk en weet daar och arme! nog niets af. Zij meenen nog altijd dat er achter Ledeganck niet meer gedicht geweest is of niet meer gedicht kan worden in ons land. En de landliederen van K. de Gheldere enz? Dat maakt immers onze zaak en onze mannen bekend en vereerd, en daar is plaats genoeg over.

Een professor, die Reinaard de Vos zou willen uitleggen in zijne school, vraagt mij welke de beste uitgaaf van 't oud epos is en waar ze zou te krijgen zijn? Weet gij dat niet te berichten? Hij ware er zeer dankbaar voor. 't Is E.H. Segers, een van ons gulleken, die nu te Hasselt in 't Sint-Jozefscollege vlaamsche les moet geven.

Met laetare-zondag[12] hebben wij een vlaamsch feest ter eere van St-Franciscus de Sales. Wij p4gaan den koor: Onendig wezen, God van G. Gezelle-Mervillie zingen, met nog een van de 12 liederen erbij. Dat is muziek! niet waar?

Arthur is verleên week hier geweest, hij maakt het bezonder goed en komt er heel mannelik en deftig uit. Wij vreesden nochtans dat hij niet zou kunnen aarden onder dat Walevolk van Verviers, maar hij heeft zijn zuster bij hem en een West-Vlaming die ook kapelaan is in de stad, en hij kalde weêr heel West-Vlaamsch, zoodat zijn taal hem nog altijd, diep in 't herte, dierbaar spreken blijft. Hij hoopt toch dat hij zeker in Limburg zal komen als hij een jaar of drij te Verviers gestaan zal hebben met eere en vrucht. 't Is immers een beloning voor een goede vlaamsche werker die in 't Waleland gestoken geweest is, dat hij pastoor werdt in zijn eigen land. Nog iets voor Boek- en boekstafwezen. —

“Dat ierste boeck vanden nieuwe duytsche liedekens met III. IIII. V. VI en VIII partyen. van excellente Musiciens nu corts in musijcke ghestelt, bequaem om te singhen, ende op instrumenten te spelen.[13] Tenor. Des deux côtés de la vignette se trouve cette devise: David cum cantoribus citha-ram percutiebat.[14]

Met Previlegie van beyde onze genaedighe Heeren gedruckt tot Maestricht by my Jacob Baethen MDLIIII in de maent van Noveber, voor hem ende Hendrick Peymans; boeckvercooper.” In 4°[15] oblong[16] de 26 feuilles[17] Le verso de la 1re feuille est resté en blanc, sur le recto de la seconde se trouve une lettre de l'imprimeur, qui commence par ces mots: “aan eerweerdighen ende Edelen heer h. Inghielhert Hengelstede, proost tot Wassenborch, Canoninck tot sint Servaes te Maestricht etc.” “Jacob Baethen, saluyt” (Publications etc. 262)[18] t Is prof. M. C.P. Serrure die den boek gevonden heeft. Mag hij hem heruitgegeven hebben of zou er niet achter te komen zijn?

Wees nu van herte gegroet van ons allen, en Godebevolen![19]
Uwe dankbare Limburgers;
Koob, Gust, en Rijkhart
[20]p1

De chronijk der Landen van Overmaas.[21]

Wat merkweerdig is voor den eenen, bijvoorbeeld, voor eene kloosterzuster, en zal het altijd niet zijn voor eenen priester of eenen ouden huisman; en schrijven deze lieden de merkweerdigste gebeurtenissen en voorvallen van hunnen tijd op, hunne kronijken of jaarboeken zullen altijd een aanmerkelik verschil toonen.

De inhoud van deze Kronijk, hare wijze van voordragen en de eentige kleinigheden die de schrijver ons over zijn eigen aanhaalt, zeggen en toonen ons genoeg wie hij was, al maakt hij ons ook zijnen naam niet bekend.

"Uit zijn verhaal blijkt, zegt Jos. Habets die er een deel van uitgegeven heeft in de Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, tome VII, 1870, dat de schrijver een inwoner is geweest van Beek, bij Meersen. Hoogst waarschijnlijk was hij een priester, wel ervaren in het Latijn en in het Vlaamsch. Zijn schrijftrant en het gebruik van eene menigte woorden uit den tongval onzer streken kenmerken iemand, die een groot deel van zijn leven in het land van Valkenberg heeft doorgebracht."

Ziedaar over den opsteller; nu over het handschrift zelf. "Het werd in 1854 ten voordeele der Borgondische bibliotheek aangekocht uit handen van den heer Fred. Muller, boekhandelaarp2te Amsterdam." - "Het maakt een band uit met een exemplaar der Excellenste Cronike van Brabant, gedrukt bij Roland van den Dorp, te Antwerpen 1497, in groot 4to."[22] De gedrukte Ch ronijk van Dorp, telt 408 bladzijden; zij is gevolgd door het handschrift van onzen schrijver bestaande 130 bladzijden, geschreven op stijf papier, in twee kolommen, in klein geprest maar duidelijk schrift."

Nu over den inhoud. Ik laat altijd Jos. Habets spreken: "Dit handschrift neemt zijnen aanvang met eene lijst der voornaamste heiligen van het kerkelijk jaar, met het tijdstip van hun overlijden. Dan volgt eene nota van kosten, veroorzaakt in 1474, door Karel den Stoute, tijdens het beleg van Neuss,[23] en eene lijst der koningrijken en vorstendommen der Christenheid. Eindelik verhaalt hij de geschiedenis van het oude verbond, van af de schepping der wereld tot op den tijd der komst van Mozes. = De laatste 84 bladzijden bevatten de gebeurtenissen van zijnen leeftijd, die hij zoo veel mogelijk jaar voor jaar en feit voor feit getrouw aanteekent en beoordeelt."
De aanteekeningen van onzen schrijverp3schijnen te beginnen in den jaeer ons Heren dusent CCCC inde LXVIII en te loopen tot 1507

Zij mogen gemakkelik tot drie soorten teruggebrocht werden.

1° De oorlogen die de landen van overmaas en andere gewesten plaagden: "Got bettert!” - De jamer off drucke der huysluyden, enz. die er de gevolgen van waren. "Got herbarmps!" - De oorzaken van die veten, en een zalig lesken hier en daar. "O arme lantmaen! Rueppe Got aen, inde better dych ouch van dynen sonden, doer du nu diesse ploeghe myt verdyent moges hobben ... Better dich het is mee daen tyt!"

2° Wi en welke closter erstwerff syn aen gehaeven inde begonnen, of verwandelt of verganghen of wi sy totter reformacie quaemen. Bij kans het alik leste deel rolt daarover.

3° Van de onweders, van de goede en kwade jaren, van de ziekheden die de menschen plaagden, enz.

4° Verschillige kleindere gebeurtenissen, (bij zonder die in Beick gebeurt zijn,) als 't bouwen van bruggen, en kerken, 't afsterven van den eenen of den anderen, 't afbranden van schuren en huisen, enz. enz.

Over den schrijfzwang zal ik u zelf laten oordeelen: eene eigenaardigheidp4die ik niet onopgemerkt kan laten, is, dat hij schrikkelik woordenrijk is en bekans geen woord zult ge vinden, of het heeft er één en somtijds vier of vijf synoniemen achter. Luistert:

In den selfden jaer (MCCCC inde) LXVIII due quam der Coninck van Vranckryck inde hertoch Karle (de Stoute) voer die edele staet van Ludich,[24] inde sach die edele gloriose, herlicke staet also erbermelick inde jemerlick destrueren inde te schande maken als je kersten staet te schande mocht gemaekt werden ...... inde sy wonnen die staet van Ludick inde quamen daer in omtrent alre Heyligen avent. Men sacht dat die staet verraden waert van bynnen. Inde als sy daer in quamen inde die staet gewonnen hadden myt storme inde myt honnen geschuet, so geberden sy wonderlicke in die staet, nyet als kersten luyden mer als heyden inde Zarazynen. Want sy en sparden Got noch syne moder, noch Kyrcke noch Kluyse, noch closter noch Kyrckhoff; inde sy mackten die edele inde kostelicke, schoene staet al so jemerlick te schande, inde sy destruerden also barmelicke als ye staet in der Korstenheyt geschant inde vernylt mocht werden. Want syp5sy schanden die heylige Kyrcke, men sloch prister aen den elter doet, die noch inder myssen stonden, sy noemen den prister die kellicken uytten handen, er dat bloet Gotz daer uyt genuet waes, inde storden inde gotten dat op die eltere, en lyeppen myt die kellicken ewech. Sy noemen die corporalen den prister vanden elter en schodden dat heylighe Sacrament opten eltter, inde mackden boersdueck daeraff, sy brocken die Heyldoms schapper op, inde noemen die syborie en woerpen dat heyldom doer uyt op die erde. Den wonder ende dat overvlodig grot bermelick jamer dat doer geschiede Gode, te vorste inde der heyliger Kyrcke, dat en is nyet uyt te spreken noch te schryffen.

Sy violerden inde schanden die heilige Kyrcke, inde die kloster al so jemerlick dat syt doeruyt al so nauwe ewech noemen inde rouffden, dat daer nyt in en bleyff noch kellick, noch boeck, noch kassel, noch alff. Sy deden die clocken aff en vorden sy myt hoen ewech, men en lyet daer nyet in die kyrcke noch luchtter, noch bylden, noch lacken, noch belden; men nampt al so nauwe, watp6sy kreghen konden, dat sy den pristeren nyet eynen pselter en hedden gelaeten, daer sy hoen getijden uyt gelesen hedden. Sy leyfden alte onredelicke mytten orlomenten der heiliger Kyrcke; sy deden die orlomenten der heiliger Kyrcken aen, alffven inde kasselen en des gelicke en vermompden hoen daermyt, inde gynghen daermyt danssen, dat ichs eyndeyls[25] sach dat dit also geschiede. Inde dit waes byllick eyn alte groet ontfarmelick jamer der heiliger Kyrcke. Inde hyr oem so mach ich woel schryffen inde seggen, dat sy nyet en deden noch en leyffden als Korsten mynsschen, mer als duvelen inde verwoede Turcken en Heyden. Als sy Gode inde der heyliger Kyrcke desen smoet inde spyt gedaen hadden, so en waest noch nyet genoch. Sy en sparden Kyrck, noch Kyrckhoff; sy sloegent all doet, noch kyndebeyt, noch heydenschap, sy schandent al te mael daer sy quamen. Sy en hadden gheyn ontfarmherticheyt in hoen lyff; sy worpent al in die Masse, jonck inde alt, cleyn en groet, geystelick en wertlick, pappen en clercken. Sy en hadden gheyn ontfarmherticheyt over nyemant, mer wat sy betroeden dat most die kelle aff hebben off in die Masse. Sy warppen alde luyden die bleynt en deuff waeren in die Masse, vroukens myt suyckende kynderen,[26] p7Nu wat anders, en dit is getrokken uit de kantteekeningen door onzen schrijver bij de Cronike van Brabant gevoegd.

Mortbrant tot Beick.[27] Inden joer ons lyeffs Heren M.CCCC inde LXXVJ, so geschach eyn ser wonderlicke mortbrant te Beick, inden lande van Valkenborch; inde dat in diessen manyeren. Doer wonden eyn paer erms volcks, inde doerbey quam eyn cleyn, jonck, suverlick mechtgen, myt naemen geheytten Styncken; inde gynck byster achter straetten, inde also dat het scheyn, hadde heet gerne eynen dynst gehaet oem syn broetgen te wennen. Also slocht diesse arme vrouwe vurs. oem Gotz wyllen aen, inde naempt by hoer in te woenen.

Terstont daernoe nyet langhe inden oustmont, als dat hart koeren in waes, oemtrent IX uyren vuer myddedaghe, so gynck aen eyn schuyre vol korns aller neyst neyffven hoen op die eyn syde, doer dat boesse keynt wonde, inde verbrande te gronde al kael aff myt mer huyssynghen.

Terstont hyr noe over twe off dry daghen so gynck wederoem, oemtrent X uyren vuer myddedaghe, regt teghen hoem over die stratte, eyn schoen nuwe schuyre aen, vol rogge inde terwe, inde verbrande al kael inden gront aff. Doer waert grotten arbeyt gedoen vanden naegebuyren myt lesschen inde watter te draghen; inde doer lieppe dit onsalyghe mechtgen mytten anderen gueden vrouwen inde mechtden inde droeghe off halde also vromelicke watter narder, so hertelicke inde getrouwelicken, myt grotten arbeyt inde vlytte, als eyngch ander onder den houppe. Want ich dee dit hyr heet geschreyffven, sach dit myt mynen oughen.[28]p8Dan vertelt onze schrijver voorder hoe nog menig ander huis afbrande, hoe het eigen huis van Styncken's baas, alsook het nieuw en geleend huis, waar ze na die ramp introkken, aangingen en vernielt worden, hoe de dorpelingen met eenen ijsseliken schrik bevangen waren, en "vasden en noetmyssen deden, processy gyngen, bedevart gyngen" enz.[29]

Nu:

Terstont hyr noe nyet langhe so gynge ouch dat huyss aen, dat der pastoer vurs. hoen in so grotter truwen geleynt hadde, inde verbrande al kael te gronde aff.

Inde als dit nu geleyst waes, inde sy opter straette by eyn soetten inde raesden (rusteden) sych, so geheyncde Got almechtig, dat dit boesse keynt of[30] mechtgen vurs. quam te sytten neyffven eynen gueden huysmaen, inde dee waert ruyckende inde sprack hart uyt inde sacht alsus: "Mych duncket dattet hyr al swevelachtich[31] ruycket." Inde myt denen worden so waert dat boese mynssche ser ontdoen int angesychtte, inde stonde mytten selven hastelicken op inde meynde ewech van doer te goen. Due greyp der huyssmaen vurs. dit bosse mynssche mytten sorget, en toeghe sy wederoem nyeder. Inde het waes die aventuyre, dat hoem der dyeffsack in die hant quam, doer sy alle die qereytschappen van puylver, swegel in hadde oem wecken te maken, inde ouch gemacktede wycken, oem noch mer quaetz te doen.

Als dit dat volck sach, so waes doer groet rumour. Wonder waest, dat sy dat boesse mynssche nyet myt tanden en schorden. Doch sy waert gevanghen, inde tot Valkenborgh op gevoert; inde doer saet sy eyne wyle tydz...[32]

Annotations

[1] WNT 1500-heden: “Korenzang of korenzante: een handvol gelezen en samengebonden korenaren”. Het woord verwijst naar ’Vindekoorn’, een rubriek in het blad De Student waarin ingezonden gewestwoorden opgelijst en verklaard werden, en ’Zantekoorn’, een soortgelijke rubriek in Guido Gezelles taalkundige tijdschrift Loquela. In ’t Daghet in de Oosten heet deze rubriek met Limburgse woorden ’Woordenzange’. Guido Gezelle bezorgde hun woorden om daar te publiceren.

2e Woordenzange. In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2, p.9.

[2] Verzameling Limburgse dialectwoorden in ’t Daghet in de Oosten.
[3] Het woord ‘darren’ werd in de omzendbrief gebruikt om inschrijvers aan te trekken voor ’t Daghet in den Oosten. In een eerdere brief van december 1884 liet A. Cuppens aan G. Gezelle weten dat het woord niet goed ontvangen werd: “Dat woordeken is zoodanig beklapt en beknibbeld en vies ontvangen geweest dat er in den eersten n° bekans moest van gesproken worden: 't is voor velen de reden geweest dat zij niet wouden inschrijven, voor anderen de reden dat zij ingeschreven hebben. ”

De prospectus staat gepubliceerd in: Uit Boeken, Brieven en Bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 6-7.

Gezelle wijdde uiteindelijk een artikel aan: G. Gezelle, Darren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2, p. 13-14.

[4] De bijlage met het krantenartikel ontbreekt. Het betreft een positieve bespreking van ’t Daghet in den Oosten: Een schoolmeester, ’t Daghet in den Oosten. In: De Onafhankelijke der provincie Limburg: (1 maart 1885).
[5] De drie kronieken werden uitgegeven door Habets in 1869. Habets publiceerde erover in: Jos. Habets, Drie chronijkjes van Ste-Agnetenklooster der orde van den H. Augustinus te Maeseyck 1430-1589, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL) 6 (1869) 383-440.

Zie ook de bespreking van dit artikel in: Ons Boek- en boekstafwezen IV: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 6, p. 47-48.

Jos. Habets, Drie chronijkjes van Ste-Agnetenklooster der orde van den H. Augustinus te Maeseyck 1430-1589, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL): 6 (1869) p. 383-440. Zie: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 6, p. 47-48.

[6] Habets publiceerde erover in: J. Habets, Chronijk der landen van Overmaas en der aangrenzende gewesten door eenen inwoner van Beek bij Maastricht (1275-1507), in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 5-231.
[7] Zie bijlage: J. Lenaerts, Bespreking van De chronijk der landen van Overmaas en aangrenzende Gewesten, uitgegeven en met noten verrijkt door Jos. Habets, Roermond: J. J. Romen, 1870. Aanwezig in Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, map 14, 9.
[8] Ternauwernood.
[9] In-octavo: een groot vel papier wordt driemaal dubbelgevouwen, waardoor er acht bladen of zestien bladzijden ontstaan. In de praktijk is een boek in octavoformaat vergelijkbaar met de grootte van een hedendaagse paperback of roman (17 tot 24 cm hoog).
[10] In de brief van 28?/01/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle, schrijft Cuppens: ”In 't Musæum, hier ter steê van Ludike, liggen der ook verschillige oude snuifdoozen en ander gerief waar vlaamsche verzen op gesneden staan. Die gaan wij den eersten Dijsdag van Meert ook afschrijven en u laten zien.” De eerste dinsdag van maart 1885 is 3 maart. De brief is dus geschreven op 2 maart 1885.
[11] Brieven waarvan sprake is van de pot met runen:

1) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 28?/01/1885

2) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van xx/04/1885

In zijn brief van xx/05/1885 aan A. Cuppens vraagt Gezelle uiteindelijk om hem de runen op te sturen ter ontcijfering.

4) In de brief van 14/05/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt Cuppens dat hij de afschriften van de runen bij Prof. Daris zal opvragen.

5) In de brief van 04/06/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt hij: “'t Oud geschrift van dien pot, punt afgeschreven wi het op den ouden pot stant (Daar is, jammer genoeg, een heel deel uitgevaagd van den sleet)”.

Hoewel A. Cuppens de pot met runen daadwerkelijk heeft gezien en via professor Daris over een afschrift hiervan kon beschikken, valt in ’t Daghet in den Oosten geen spoor van dit materiaal terug te vinden.

[12] Laetare (Latijn: imperatief, tweede persoon enkelvoud: ‘Wees blij’) is de benaming voor de vierde zondag van de Veertigdagentijd, ook wel Halfvasten genoemd. De naam verwijst naar het eerste woord van het intredelied van die zondag. Midden in de vastentijd weerklinkt reeds een vreugdevolle vooruitblik op de verrijzenis van Christus. In 1885 valt deze zondag op 15 maart.
[13] Het boek bevat dertig Dietse polyfone werken in drie, vier, vijf en zes stemmen. Er is één ’liedeken‘ voor acht stemmen, het indrukwekkende ‘Ghequetst ben ic van binnen’ van Episcopius. Het boek bestond uit vijf stemboeken. De sopraanpartij is verloren gegaan.
[14] Vertaling (Latijn): David met de zangers tokkelde op zijn harp. Dit citaat komt uit het lied ’Decantabat populus in Israel alleluia‘ en verwijst naar de feestelijke overbrenging van de ark van het verbond naar Jeruzalem door koning David (zie ook: 1 Kronieken 15, 6-28).

Op de frontispice wordt koning David afgebeeld met op de achtergrond een panoramisch zicht op Maastricht en enkele historische gebouwen.

[15] In-kwartoformaat: 26 bladen zijn elk tweemaal dubbelgevouwen, waardoor per vel vier bladen ontstaan.
[16] Langwerpig, rechthoekig met de langste zijde in de breedte.
[17] De bundel werd langwerpig in-quarto formaat (oblong 4°) gedrukt, de standaard voor 16e-eeuwse muziekuitgaven. Het werk bevat 208 bladzijden.
[18] Cuppens ontleent deze referentie naar het Maastrichts liedboek (1554) aan: Leonard Schols, Encore un mot sur Jacques Bathen. In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg: 6 (1869), p. 261-262.
[19] MNW 1250-1550: “godevolen (bn): Aan God en zijne bescherming aanbevolen”.
[20] Bijlage bij brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 02/03/1885. Zie record 6.26859.
[21] Bijlage bij brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 02/03/1885: artikel van Leonard Willem Jacob Lenaerts ter publicatie in ’t Daghet in den Oosten. Het artikel is er niet in verschenen.
[22] Jos. Habets bezat een band, bestaande uit twee delen, die zich thans in de Bourgondische Bibliotheek van de Koninklijke Bibliotheek van Brussel bevindt. Het eerste deel is een rijk geïllustreerde incunabel Die alder excellenste cronyke van Brabant. Dit exemplaar werd door Petrus Treckpoel van aantekeningen voorzien. Het tweede deel bevat de Chronijk der landen van Overmaas, een handgeschreven kroniek die Treckpoel te Bilzen vóór 1509 samenstelde.
[23] Van 1474 tot 1475 belegerde Karel de Stoute de Duitse stad Neuss, gelegen in het keurvorstendom Keulen binnen het Heilige Roomse Rijk, omdat hij zijn invloed in het Rijnland wilde uitbreiden. De stad verdedigde zich met de steun van keizer Frederik III. Ondanks de langdurige belegering slaagde Karel er niet in Neuss te veroveren. Uiteindelijk moest hij het beleg opgeven vanwege de overmacht van het ontzettingsleger van Frederik III.
[24] In de 15e eeuw breidden de Bourgondische hertogen hun macht steeds verder uit. Het prinsbisdom Luik, dat zijn zelfstandigheid en privileges wilde behouden, vond in Lodewijk XI, de Franse koning, een bondgenoot om de groeiende macht van Bourgondië tegen te gaan.

In 1467 versloeg Karel de Stoute de opstandige Luikenaars tijdens de Slag bij Brustem. Als gevolg daarvan verloor Luik een groot deel van zijn politieke vrijheden. Toen in 1468 opnieuw een opstand uitbrak, veroverde Karel de Stoute de stad Luik. Ditmaal liet hij de stad verwoesten en een groot deel van haar bevolking afslachten.

In 1477 sneuvelde Karel de Stoute, waarna zijn dochter Maria van Bourgondië het Bourgondische rijk erfde. Onder haar bewind werden enkele Luikse rechten en vrijheden hersteld.

[25] Sic ’eynsdeyls’.
[26] Zei: J. Habets, Chronijk der landen van Overmaas en der aangrenzende gewesten door eenen inwoner van Beek bij Maastricht (1275-1507). In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 27-28.
[27] Vertaling (Diets = Middelnederlands): Verwoestende brand in Beek.
[28] Zei: J. Habets, Kantteekeningen op die Excellenste Chronyck van Brabant, Hollant, Selant, Vlanderen etc. door denzelfden schrijver. In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 212.
[29] Zei: J. Habets, Chronijk der landen van Overmaas en der aangrenzende gewesten door eenen inwoner van Beek bij Maastricht (1275-1507). In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 299.
[30] Sic: ’off’.
[31] Sic ’Swevelafftig’.
[32] Zei: J. Habets, Kantteekeningen op die Excellenste Chronyck van Brabant, Hollant, Selant, Vlanderen etc. door denzelfden schrijver. In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 214-215.

Register

Correspondents - persons

NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameLenaerts, Leonard Willem Jakob
Dates° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
SexMannelijk
Occupationdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relation to GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Sources https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NameVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Dates° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
SourcesE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet

Sender

NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NameLenaerts, Leonard Willem Jakob
Dates° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
SexMannelijk
Occupationdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relation to GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Sources https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NameVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Dates° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
SourcesE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NameLuik

Name - person

Nameonbekend
NameCeyssens, Michiel
Dates° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
SexMannelijk
Occupationboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relation to Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Sources https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NameDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Dates° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
SexMannelijk
Occupationpriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Sources https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NameDe Gheldere, Karel
Dates° Torhout, 18/08/1839 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
SexMannelijk
Occupationarts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
SourcesH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NameLenaerts, Leonard Willem Jakob
Dates° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
SexMannelijk
Occupationdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relation to GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Sources https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NameLewylle, Arthur
Dates° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: 'Het teeken des vreden'. Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relation to GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NameMervillie, Alfons; Bach-Mervillie
Dates° Wontergem, 17/05/1856 - ✝ Kortrijk, 04/04/1942
SexMannelijk
Occupationcomponist; vertaler; auteur; dichter; priester; leraar; pastoor
BioAlfons Mervillie , zoon van Pieter Mervillie, landsman, en Regina Quintyn, was een componist, vertaler, prozaschrijver (in didactisch-volkse trant) en gelegenheidsdichter. Hij was een taalparticularist en "buitensporig taalpurist" (De Vleeschouwer). Aan het kleinseminarie te Roeselare was hij leerling van H. Verriest. Hij was een geestdriftig muziekliefhebber en bewonderaar van Bach. Hij werd priester op 27/08/1882 en op 03/10/1880 leraar orgelspel en kerkzang aan de nomaalschool en kosterschool te Torhout. Vanaf 1891 was hij onderpastoor te Dudzele (27/11/1891), Nieuwpoort (15/05/1896), en Aartrijke (23/11/1898), en pastoor te Nieuwkapelle (22/08/1913). Hij schreef verschillende bijdragen in Biekorf, en was de auteur van 12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedragen. Leipzig, 1884 (1886, uitgebreid, met een inleiding op schoonheidsleer), Gusten, verhaal uit den ouden tijd. Brugge,1891 en Evangeline, Roeselare, 1901 (metrische vertaling uit Longfellow).
Links[odis], [wikipedia]
Relation to Gezellecorrespondent; componist Gezelleliederen
SourcesF. De Vleeschouwer, Mervillie, Alfons. In: NBW 4, kol. 560- 564
NameSegers, Johannes Matheus; Segers, Matthijs
Dates° Molenbeersel, 31/10/1859 - ✝ Hamont, 08/01/1934
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioMathijs (Joannes Matheus) Segers werd op 31 oktober 1859 te Molenbeersel geboren als tweede zoon van Johannes Mattheus Segers (1824–1902) en Maria Catharina Creemers (1834–1888). Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik ontwikkelde hij belangstelling voor de taalkunde, onder meer binnen het 'Limburgsch Zanterkesgildeke' en "Loquela". Op 20 december 1884 werd hij in Luik tot priester gewijd. Van 1884 tot 1890 was Segers leraar Nederlands aan het Sint-Jozefcollege te Hasselt. Nadien werd hij benoemd tot onderpastoor van de parochie Saint-Jean te Luik. In 1894 volgde zijn aanstelling als pastoor van de parochie Saint-Rémy te Heure-le-Romain. Vanaf 1901 was hij pastoor van de Heilig-Kruisparochie te Vorsen (Gingelom). Na zijn emeritaat in 1933 woonde Segers bij zijn zus in Hamont. Daar overleed hij op 8 januari 1934, op 74-jarige leeftijd.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; abonnée Loquela; Limburgsch Zanterkesgildeke
Sources https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showgraf&bgp=2911&grafid=902515&char=S https://gw.geneanet.org/dicycled?lang=nl&n=segers&oc=0&p=joannes+matheus
NameVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Dates° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
SourcesE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NameHabets, Joannes Josephus
Dates° Oirsbeek, 27/11/1829 - ✝ Maastricht, 22/06/1893
SexMannelijk
Occupationpriester; historicus; archivaris
ResidenceNederland
BioHij werd in 1881 tot eerste rijksarchivaris in Limburg benoemd en bleef dit tot zijn overlijden. Sedert 14 juni 1880 was hij lid van de Nederlandse Koninklijke Academie en vanaf 1887 buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Hij publiceerde talrijke bijdragen over geschiedenis en oudheidkunde en gaf een aantal teksten uit, o.m. "De Echtverbintenis van Maria", een "Limburgs Misteriespel" (1876) en "De Legende van Sint-Servatius"(1881), een Middelnederlands prozahandschrift.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellelid en buitenlands erelid van de Nederlandse Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde
NameFranciscus van Sales
Dates° Sales, 21/08/1567 - ✝ Lyon, 28/12/1622
SexMannelijk
Occupationpriester; geestelijke; schrijver; bisschop; heilige; ordestichter; mysticus
ResidenceFrankrijk
BioFranciscus van Sales werd geboren op het kasteel Sales bij Thorens op 21 augustus 1567 uit een adellijke familie. Hij liep school in Annecy en nam, na universitaire studies in o.m. Padua en Parijs, de beslissing om priester te worden. In 1593 werd hij proost van het kapittel van Genève. Hij werd er bisschop in 1602 en raakte bekend om zijn preken en publicaties, o.m. zijn "Introduction à la vie dévote" (1608) dat in vele talen werd vertaald. Hij stichtte ook in 1610 de vrouwelijke orde van Maria Visitatie (visitandinnen). Hij overleed in Lyon op 28 december 1622. Franciscus van Sales werd heilig verklaard in 1665 en in 1877 door paus Pius IX tot kerkleraar uitgeroepen. De Salesianen zijn naar hem genoemd.
Links[wikipedia]
NameLedeganck, Karel Lodewijk
Dates° Eeklo, 09/11/1805 - ✝ Gent, 19/03/ 1847
SexMannelijk
Occupationvrederechter; dichter
BioKarel Lodewijk Ledeganck promoveerde in 1835 in de rechten en werd vrederechter te Zomergem en vervolgens lid van de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen. Politiek was hij verdediger van de Vlaamse Beweging. Als dichter kreeg hij grote weerklank en werd hij verschillende keren bekroond. Zijn bekendste werk is De drie Zustersteden (Gent 1846).
Links[wikipedia], [dbnl]
NameDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Dates° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Sources https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NameSerrure, Constant Philippe
Dates° Gent, 22/09/1805 - ✝ Moortsele, 06/04/1872
SexMannelijk
Occupationfiloloog; professor; rector
BioConstant Philippe Serrure was een Gentse historicus, filoloog, bibliofiel en numismaat, en een vooraanstaand cultuurflamingant. Als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent doceerde hij geschiedenis en Nederlandse letterkunde en was hij rector van 1855 tot 1857. Serrure verwierf internationale faam door zijn studie en uitgave van Middelnederlandse handschriften en door zijn uitzonderlijke privécollectie van boeken en munten. Hij was betrokken bij verschillende tijdschriften, in het bijzonder het "Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis", dat zich in Guido Gezelles bibliotheek bevond. Hij had geen rechtstreeks contact met Gezelle.
Links[wikipedia], [dbnl]
SourcesNEVB
NameTreckpoel, Petrus
Dates° Beek, 1442 - ✝ 19/03/1510 of 1511
SexMannelijk
Occupationpriester; kroniekschrijver
BioPeter Treckpoel, afkomstig uit Beek in het land van Loon, wordt door 19de-eeuwse filologen geïdentificeerd als de auteur van vier anonieme werken: de Kroniek van Bilzen, de Aantekeningen bij de Alder Excellenste chronijke van Brabant, de Chronijk van Overmaas en de Chronijk van Luyk. Deze toeschrijving steunt op (auto)biografische aanwijzingen in de teksten zelf, waarin een priester uit Beek met de naam Peter Treckpoel wordt genoemd. Treckpoel was kapelaan in Geulle (1470–1480) en Sittard (1480–1492), waarna hij rector en biechtvader werd van het klooster van Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen in Bilzen. In zijn kronieken beschrijft hij de politieke, militaire en religieuze geschiedenis van de beide Limburgen in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Hij was onder meer getuige van de verwoesting van Luik in 1468 door Karel de Stoute. Zijn werk steunt op persoonlijke observaties en aantekeningen, en heeft aandacht voor de fysieke en mentale impact van de gebeurtenissen op gewone mensen. Zo vormt zijn oeuvre niet alleen een belangrijk ooggetuigenverslag van een turbulente periode, maar ook een waardevol voorbeeld van het laatmiddeleeuwse Limburgse literaire erfgoed.
Links[wikipedia]
Sources https://platform.openjournals.nl/PSHAL/article/view/19285/21107; https://www.stichting-treckpoel.eu/ ; https://www.bilisium.be/figuren.php?id=14
NameLewylle, Pharaïldis Cornelia; Lewyllie, Pharaïldis Cornelia
Dates° Vlamertinge, 19/10/1864 - ✝ Bocholt, 06/03/1906
SexVrouwelijk
BioPharaïldis Cornelia Lewylle werd op 19 oktober 1864 geboren in Vlamertinge als dochter van marktkramer Petrus Lewylle en Julia Bulteel. Zij was de vier jaar jongere zus van Arthur Lewylle en stond hem bij tijdens zijn priesterlijke bediening. In die periode leerde zij in Halen Guilielmius Theophilus Lievesoons (Halen, 30 september 1865) kennen, met wie zij op 4 augustus 1891 in Vlamertinge in het huwelijk trad. Ze overleed in Bocholt op 6 maart 1906.
NameLansheere, Hendrik
Dates° Alveringem, 23/10/1857 - ✝ Sint-Lambrechts-Herk, 10/04/1912
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor
BioHendrik Lansheere werd op 23 oktober 1857 geboren in Alveringem als zoon van Albertus Lansheere, strooidekker, en Juliana Lauriere. Op 7 juni 1884 werd hij in Brugge tot priester gewijd. Hij werd vervolgens onderpastoor in Verviers waar hij samen met Arthur Lewylle werkzaam was. Later was hij ook werkzaam als onderpastoor in Hasselt. Op 20 januari 1896 werd hij pastoor in Sint-Lambrechts-Herk, waar hij tot aan zijn overlijden werkzaam bleef. Hendrik Lansheere overleed op 10 april 1912 in Sint-Lambrechts-Herk.
Links[odis]
NameBathen, Jacob; Baethen, Jacob; Bathius, Jacobus; Batius, Iacobus; Bathenius, Jacobus
Dates° Heverlee, ca. 1525 - ✝ Leuven?, na 1558
SexMannelijk
Occupationdrukker; uitgever
BioJacob Baethen was een zestiende-eeuwse Vlaamse drukker en uitgever, vermoedelijk afkomstig uit Heverlee. Hij studeerde aan de universiteit en was er vanaf 1545 als eerste drukker werkzaam. Naast religieuze en officiële publicaties richtte hij zich vooral op het drukken van muziekpartituren. Rond 1551 vestigde Baethen zich in Maastricht, eveneens als eerste drukker. Hij publiceerde er onder meer "Dat ierste boeck vanden nieuwe Duijtsche liedekens" (1554), het zogenoemde Maastrichts Liedboek. Ook drukte hij het muziekwerk "Lamentationes aliquot Ieremiae" van Joannes de Latre die als zanger verbonden aan de kathedraal van Luik. Bij deze laatste uitgave maakte hij gebruik van beweegbare muzieknotentypes, een belangrijke technische vernieuwing binnen de zestiende-eeuwse muziekdrukkunst. Eind 1554 of begin 1555 verhuisde Baethen naar Düsseldorf, waar hij als drukker aan het hof van Willem V van Kleef werkte. Hij gaf er onder meer motetten en muziektheoretische werken uit. Baethen is vooral van belang vanwege zijn bijdrage aan de vroege boek- en muziekdrukkunst in de Nederlanden. Zijn Maastrichtse uitgaven behoren tot de belangrijkste vroege voorbeelden van muziekdruk in de stad.
Links[wikipedia]
NamePeymans, Hendrick
SexMannelijk
Occupationboekverkoper
BioEr werd geen informatie gevonden over Hendrick Peymans.
Namevan Heemstede, Engelbert; Hemptstede, Inghelbert
SexMannelijk
Occupationkanunnik; proost; kunstmecenas
BioEngelbrecht van Heemstede was een vermeende bastaardzoon van zijn naamgenoot Engelbrecht van Heemstede, de derde zoon van Roeland le Fèvre, een vermogend ridder en thesaurier van Vlaanderen. Zowel vader als zoon waren kanunnik van Sint-Servaas en proost van Sint-Joris in Wassenberg en traden op als kunstmecenassen. In 1554 droeg de Maastrichtse stadsdrukker Jacob Baethen de eerste druk van "Dat ierste boeck vanden nieuwe Duijtsche liedekens" aan deze “Inghelbert Hemptstede” op.
Links[wikipedia]
NameMuller, Frederik
Dates° Amsterdam, 22/07/1817 - ✝ Amsterdam, 04/01/1881
SexMannelijk
Occupationantiquaar; boekhandelaar; bibliograaf; uitgever
ResidenceNederland
BioFrederik Muller werd op 22 juli 1817 te Amsterdam geboren als zoon van prof. Samuel Muller (1785-1875), hoogleraar aan het Doopsgezind Seminarium, en Femina Geertruida Mabé (1784-1870). Hij groeide op in een intellectueel milieu en ontwikkelde al vroeg een grote belangstelling voor geschiedenis, literatuur en oude boeken. Vanaf 1834 deed Muller praktische ervaring op in de boekhandel van zijn oom in Amsterdam. In 1843 vestigde hij zich als zelfstandig antiquaar. Als bibliograaf bestudeerde Muller boeken niet alleen naar hun inhoud, maar ook naar druk, editie, ouderdom, herkomst, zeldzaamheid, illustraties en andere materiële kenmerken. Hij bracht grote hoeveelheden verspreid en vaak gebrekkig beschreven materiaal systematisch bijeen en maakte daarvan wetenschappelijk bruikbare catalogi. Belangrijke voorbeelden zijn de “Bibliotheek van Nederlandsche Pamfletten (1858–1861)” en de “Beredeneerde beschrijving van Nederlandsche Historieplaten” (1863), “Zinneprenten en Historiekaarten”. Muller bleef actief als boekhandelaar en uitgever. Via zijn internationale handelsnetwerk bracht hij boeken en historische documenten bijeen en maakte hij deze toegankelijk voor wetenschappers, verzamelaars en bibliotheken. Frederik Muller overleed op 4 januari 1881 te Amsterdam, op 63-jarige leeftijd.
Links[wikipedia], [dbnl]
NameKarel de Stoute
Dates° Dijon, 10/11/1433 - ✝ Nancy, 05/01/1477
SexMannelijk
Occupationhertog; graaf
ResidenceBourgondië
BioKarel de Stoute werd op 10 november 1433 in Dijon geboren als zoon van Filips de Goede, hertog van Bourgondië, en Isabella van Portugal. Hij groeide op aan het Bourgondische hof, dat zich in de vijftiende eeuw ontwikkelde tot een van de vooraanstaande politieke en culturele centra van West-Europa. In 1467 volgde hij zijn vader op. Als hertog en graaf heerste hij over een omvangrijk, maar geografisch versnipperd geheel van vorstendommen en heerlijkheden, waaronder Bourgondië, Brabant, Limburg, Luxemburg, Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen. Daarnaast was hij Heer van Mechelen. Door bestuurlijke centralisatie en militaire expansie streefde hij naar een sterk en aaneengesloten Bourgondisch rijk dat zich uitstrekte tussen het Franse koninkrijk en het Heilige Roomse Rijk. Zijn ambities brachten hem in conflict met onder meer Frankrijk, de Zwitserse Confederatie en het hertogdom Lotharingen. Tijdens de oorlog tegen Lotharingen sneuvelde Karel de Stoute in de Slag bij Nancy op 5 januari 1477. Maria van Bourgondië, zijn dochter, erfde zijn gebieden.
Links[wikipedia], [dbnl]

Name - place

NameBeek
SettlementBree
NameHasselt
SettlementHasselt
NameMaaseik
SettlementMaaseik
NameMechelen
SettlementMechelen
NameAmsterdam
NameMaastricht
NameVerviers
Name
Name

Name - institute

NameLimburgsch Zantersgildeken
DescriptionIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Dating1883-?
Links[wikipedia]
NameGrootseminarie Luik
DescriptionHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Dating1592-heden
Namekleinseminarie Mechelen
DescriptionHet kleinseminarie van Mechelen werd in 1830, nog in de Nederlandse Tijd, gesticht door de Mechelse aartsbisschop Fr. De Méan. Het werd, als opleiding voor priesterstudenten, ondergebracht in het 18de-eeuwse Hof van Coloma en in de restanten van het 16de-eeuwse Hof van Hoogstraten. Van bij zijn oprichting was het kleinseminarie een internaat met humaniora (Grieks-Latijn) en twee jaren filosofie, als voorbereiding op de studie van de theologie in het grootseminarie. In 1935 verhuisde de afdeling Filosofie naar het nieuwgebouwde Sint-Jozefseminarie te Sint-Katelijne-Waver. De humaniora werd uitgebouwd met richtingen economie, natuurwetenschappen en sport en werd aldus een gewoon bisschoppelijk college.
Dating1830-heden
NameGrootseminarie Mechelen
DescriptionHet Grootseminarie Mechelen werd in 1595 opgericht door aartsbisschop Mathias Hovius in het voormalige Standonckcollege, naar aanleiding van het Concilie van Trente. In 1746 begon de bouw van een nieuw seminarie. Doorheen de jaren kende het seminarie verschillende periodes van sluiting en heropening, onder meer tijdens het bewind van Jozef II en de Franse Revolutie. In 1830 kon de priesteropleiding definitief herstarten. Gedurende de 20e eeuw werden seminaristen onder meer getraind voor militaire dienst en vonden er meerdere herstructureringen plaats. In 1970 werd het Grootseminarie van Mechelen gesloten en verhuisden de opleidingen naar Leuven en later ook naar Brussel. In 1995 werd het seminarie tijdelijk heropend als Theologicum, maar door een gebrek aan seminaristen werd het in 2006 volledig geïntegreerd in het Johannes XXIII-seminarie te Leuven.
Dating1595-2006
Links[odis], [wikipedia]
NameSchatkamer van de kathedraal van Luik
DescriptionDe Schatkamer van de kathedraal van Luik (Trésor de Liège) bevindt zich tegenwoordig in de gerenoveerde kloostergangen van de Sint-Pauluskathedraal. De kerkschatten van de voormalige Sint-Lambertuskathedraal, gered uit de handen van de Franse revolutionairen, werden op 1 januari 1804 plechtig overgebracht naar de sacristie van de Sint-Pauluskathedraal en vormden het begin van de collectie. Later werden er ook artefacten uit de kerken en het prins-bisschoppelijk paleis van Luik tentoongesteld. Tot de topstukken behoren de reliekbuste van Sint-Lambertus en het reliekschrijn van Karel de Stoute.
Dating1804-heden
Links[wikipedia]
NameInstitut archéologique liégeois
DescriptionHet Institut archéologique liégeois (IAL) werd in 1850 opgericht met als doel archeologische vondsten, kunstvoorwerpen en historische artefacten uit het prinsbisdom Luik, van de prehistorie tot de moderne tijd, op te sporen, te verzamelen en te bewaren. Het instituut kwam tot stand op initiatief van de 'Société d’Émulation' van Luik. Pas in 1874 kreeg de collectie een duurzaam onderkomen in de provinciale gebouwen van het Paleis van de Prins-bisschoppen. In 1909 verhuisde het museum naar het Paleis Curtius, een voormalige patriciërswoning aan de oevers van de Maas. De samenwerking met de Universiteit van Luik waarborgt de wetenschappelijke onderbouw van het instituut. Via de website van het IAL zijn zowel de collecties als de omvangrijke gespecialiseerde bibliotheek toegankelijk.
Dating1850-heden
NameSint-Jozefscollege, Hasselt
DescriptionHet bisschoppelijk Sint-Jozefscollege van Hasselt werd opgericht in volle schoolstrijd als reactie op de antikatholieke schoolwetten van 1879 van de liberale regering-Frère-Orban II. Op dat ogenblik telde Limburg slechts vier katholieke secundaire scholen voor jongens: het Sint-Jozefscollege in Beringen, het kleinseminarie in Sint-Truiden, het Sint-Lambertuscollege in Peer en het Sint-Michielscollege in Bree. Voor de ontwikkeling van het agrarische en economisch arme Limburg was betaalbaar (katholiek) onderwijs dichter bij huis van groot belang. Vijf rijke Hasseltse families schonken de bouwgrond. Monseigneur Doutreloux legde in september 1881 de eerste steen. Het majestueuze neogotische schoolgebouw werd ruim een jaar later in gebruik genomen; in 1883 kwam daar een internaat bij. Na de fusie in 1999 met Humaniora Virga Jesse (meisjesschool), heette de school Virga Jessecollege.
Dating1881-1999
Links[odis], [wikipedia]
NameHet Agnetenklooster, of Sint-Agnesconvent
DescriptionHet Agnetenklooster, ook bekend als het Sint-Agnesconvent, was een klooster van reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus in Maaseik. Het werd opgericht in 1429 en was gewijd aan de heilige Agnes. Het kloostergebouw lag binnen het begijnhof, buiten de wallen. In 1455 voegde de bisschop van Luik deze belangrijke religieuze gemeenschap toe aan het kapittel van Venlo dat de regels van de Moderne Devotie volgde. Deze ‘zusters van het gemene leven’ deelden hun bezit, deden eenvoudig werk (weven van linnen, laken, fluweel) om aan de kost te komen, en hielden zich verder bezig met gebed en meditatie. Deze orde kenmerkte zich door een intense omgang met boeken, lectuur van de Bijbel. Ze schreven hun lectuur neer om er zich later verder op te bezinnen. Tijdens de oorlogen van Luik tegen het Land van Loon werd het klooster in 1482 ingenomen en kort daarna in de as gelegd. De zusters vluchtten naar Susteren. Vanaf 1485 werd een nieuw klooster binnen de stadswallen gebouwd. Het klooster bleef bestaan tot 1797, toen het door de Fransen werd opgeheven en verkocht aan een advocaat uit Maaseik. Het klooster had een bijzondere band met de schilder Jan van Eyck ( ca. 1390-1441). Volgens historische bronnen schonk hij liturgische gewaden aan het klooster. Zijn dochter Livina trad na zijn dood in bij de gemeenschap.
Dating1429-1797
Links[wikipedia]

Title - poem by Guido Gezelle

TitleOnendig wezen
PublicationGedichten, Gezangen en Gebeden (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 43

Title - other work

Titlet Daghet in den Oosten
AuthorCeysens, L..
Date1885-
PlaceHasselt
PublisherCeyssens
TitleLandliederen: gedichten
AuthorDe Gheldere, Karel
Date1883
PlaceBrugge
PublisherEdward Gailliard
TitleReinaert de Vos episch fabeldicht van de 12de en 13de eeuw, met aenmerkingen en ophelderingen
AuthorWillems, Jan Frans
Date1836
PlaceGent
PublisherF. en E. Gyselinck
TitleDie alder excellenste cronyke van Brabant
AuthorHennen van Merchtenen; van den Dorp, Roland (uitg.)
Date1497
PlaceAntwerpen
PublisherRoland van den Dorp
TitleDe onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland (periodical)
Date1850-1914
PlaceHasselt
PublisherP.F. Milis; H.J. Ceysens
Title12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedregen
AuthorGezelle, Guido (autuer); Mervillie, Alfons (componist)
Date1884
PlaceLeipzig
PublisherBreitkopf & Härtel
TitleChronijk der landen van overmaas en aangrensende gewesten
AuthorTreckpoel, Petrus (aut); Habets, Joannes Josephus (ed)
Date1870
PlaceRoermond
PublisherJ.J. Romen
TitleDat ierste boeck vanden niewe Duytsche liedekens met 3, 4, 5, 6 ende 8 partyen, van excellente musiciens nu corts in musicke ghestelt bequaem om te singen ende op instrumenten te spelen
Date1554
PlaceMaestricht
PublisherJacob Baethen
TitlePublications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg
Date1864-
PlaceMaastricht
PublisherLimburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap
TitleDrie chronijkjes van Ste.-Agnetenklooster der Orde van den H. Augustinus te Maeseyck, 1430-1589
AuthorHabets, Joannes Josephus (ed)
Date1869
PlaceMaastricht
PublisherCh. Hollman

Index terms

Correspondents - persons

Cuppens, August
Gezelle, Guido
Lenaerts, Leonard Willem Jakob
Van De Putte, Rykhart

Name - institute

Limburgsch Zantersgildeken
Grootseminarie Luik
kleinseminarie Mechelen
Grootseminarie Mechelen
Schatkamer van de kathedraal van Luik
Institut archéologique liégeois
Sint-Jozefscollege, Hasselt
Het Agnetenklooster, of Sint-Agnesconvent

Name - person

onbekend
Ceyssens, Michiel
Cuppens, August
Daniëls, Polydoor
De Gheldere, Karel
Gezelle, Guido
Lenaerts, Leonard Willem Jakob
Lewylle, Arthur
Mervillie, Alfons
Segers, Johannes Matheus
Van De Putte, Rykhart
Habets, Joannes Josephus
Franciscus van Sales
Ledeganck, Karel Lodewijk
Daris, Arnold Josephus Matheus
Serrure, Constant Philippe
Treckpoel, Petrus
Lewylle, Pharaïldis Cornelia
Lansheere, Hendrik
Bathen, Jacob
Peymans, Hendrick
van Heemstede, Engelbert
Muller, Frederik
Karel de Stoute

Name - place

Beek
Hasselt
Maaseik
Mechelen
Amsterdam
Maastricht
Verviers


Place

Luik

Recipient

Gezelle, Guido

Sender

Cuppens, August
Lenaerts, Leonard Willem Jakob
Van De Putte, Rykhart

Title - other work

t Daghet in den Oosten
Landliederen: gedichten
Reinaert de Vos episch fabeldicht van de 12de en 13de eeuw, met aenmerkingen en ophelderingen
Die alder excellenste cronyke van Brabant
De onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland
12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedregen
Chronijk der landen van overmaas en aangrensende gewesten
Dat ierste boeck vanden niewe Duytsche liedekens met 3, 4, 5, 6 ende 8 partyen, van excellente musiciens nu corts in musicke ghestelt bequaem om te singen ende op instrumenten te spelen
Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg
Drie chronijkjes van Ste.-Agnetenklooster der Orde van den H. Augustinus te Maeseyck, 1430-1589

Title - poem by Guido Gezelle

Onendig wezen

Title[02/03/1885], Luik, August Cuppens, Leonard Willem Jacob Lenaerts en Rykhart Van De Putte aan [Guido Gezelle]
EditorMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Peter De Baets (research); Universiteit Antwerpen
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2026
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Peter De Baets (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August, Lenaerts Leonard Willem Jakob en Van De Putte Rykhart aan Gezelle Guido, Luik, [02/03/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
SenderCuppens, August
SenderLenaerts, Leonard Willem Jakob
SenderVan De Putte, Rykhart
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent[02/03/1885]
Place SentLuik
AnnotationDatum gereconstrueerd op basis van de brieftekst: morgen gaan we naar het museum van de stad, en brief nr.7472: We gaan op 03/03/1885 naar de snuifdozen gaan kijken in het museum van de stad: de brief is geschreven op 02/03/1885 ; adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Physical Description
Support Material 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Condition volledig
Lay-out brief in handschrift van August Cuppens
bijlage 1 ontbreekt: het betreft een krantenartikel met een positieve bespreking van ’t Daghet in den Oosten: Een schoolmeester, ’t Daghet in den Oosten. In: De Onafhankelijke der provincie Limburg: (1 maart 1885)
bijlage 2: artikel van Lenaerts voor 't Daghet in den Oosten: Bespreking van De chronijk der landen van Overmaas en aangrenzende Gewesten (nr. Aanw. 533, map 14, 9)
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle Archive7473
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13856
IIIF manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/82e095e9efcc90e9e216f6642c5fba11acaee512/manifest
Content Description
IncipitWe zijn al dik gaan uitzien naar 't pakske
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.