<Resultaat 1181 van 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Zeer eerweerde Heer en goede Meester,

Wij schikken u:

1° 't Oud geschrift van dien pot, punt afgeschreven wi het op den ouden pot stant (Daar is, jammer genoeg, een heel deel uitgevaagd van den sleet)[1]

2° 't Limburgsch? oud passielieken dat ze in veel huisgezinnen der Kempen nog zingen in den vasten en bezonder in de goê week. Wij kunnen er de wijs ook van bezorgen als ze kan nuttig zijn.[2]

3° Een schrijven van Koob over kinderliekens in Limburg

4° Een vertelselken van den Maaskant. ('t Staat mij zoo goed niet aan als 't eerste dat, schijnt het, in rond den Heerd van verleên jaar gestaan heeft, uit het hoogduitsch van grimm overgezatten.)[3]

5° Een klein opstel van Rijkaart over 't ganzenspel in de Kempen.[4]

6° Een tweespandig blad uit eenen ouden met de hand geschreven Legenden-boek die nog in 't bezit moet zijn van Mijnheer Loterman, apotheker[5] tot Elst[6] (Oost-Vlanderen).[7] Zijn E. H. Zoon, die verleên jaar nog bij ons in 't Seminarie was maar die nu kapelaan is heeft dat blad eens meêgebracht om 't eene van ons te laten zien. Hij zei dat zij te zijnent nog veel van die oude boeken hadden waar dat hij er al verschilligen van opgestookt had omdat ze niets met die in bullen[8] kosten aanvangen. Als gij eens schrijft naar dien Heervader krijgt gij misschien die boeken wel, want hij is nog al genegen voor 't vlaamsch, zegde zijnp2zoon.

't Daghet is al twee keeren afgekomen met een belachelike korenzange,[9] één van 6[10] en een van twee![11] spieren.[12] Wij hebben geschreven dat ze dezen keer eens zouden zorgen dat er wat groote zang inkwam, want de korenzange is toch 't bezonderste.

Wij hebben over tijd nen vereerden brief gehad van Hoogleeraar P. Willems van Leuven waar hij ons in vroeg of wij hem niet wilden en kosten helpen voor “eene grootsche onderneming,[13] die, hoopt hij, hij met Gods genade zal volvoeren.

Het geldt eene vergelijkende klank- en vormleer der tegenwoordig gesproken nederlandsche dialecten. Dit werk zal bijzonder tot gevolg hebben onze rijkgekleurde limburgsche dialecten uit den achtergrond, waar ze heden in staan, te doen verrijzen, en hun den rang toe te kennen die hun toekomt.”

Wij hebben de Hoogachtende Heer geantwoord dat wij wel wilden mee doen als wij kosten en hij heeft ons bedankt en geschreven dat men alleen zijne dorps- of stadsspraak goed behoefde te kennen om meêwerker kunnen te zijn. 'k Ben eens nieuwsgierig wat daar van komen gaat. Maar gij hebt daar al af gehoord, zeker?

Gij moest de E. H. Claerhoudt eens vragen of hij ons ook geen handeken helpen wilt: p3hij heeft dat onder 't groot verlof beloofd aan Arthur.

Mr Mervillie gaat over onze kindervolkliedekens schrijven zoo gauw als hij de kans heeft — dat wilt zeggen, als 't de moeite weerd is.[14]

Wij hebben vandaag de grooten ommegang[15] gehad van de Cathedraal, de soldaten waren der ook weer bij en 't is heel schoon geweest.

't Gaat hier met veel pracht toe maar ik zie nog honderd keeren liever de processie van Beeringen waar alleman in gaat, terwijl dat ze hier langst de processie staan te zien of 't ware voor de aardigheid en zij meenen dat zij al veel doen als ze hunnen hoed eens half afgedaan hebben voor onzen Lieven Heer! Die hen 't schoonste schikten in den ommegang, dat waren de Vlamingen, leden van 't Vlaamsch werk. Zij leveren voor de 3/4 de keersen en vaandeldragers en zij doen dat met blijdschap en voor niet, terwijl dat de walsche zangers en dragers moeten betaald worden. Als gij nog ooit naar Luyk komt moet gij eens naar ons vlaamsch gesticht gaan zien. Dat is mij wat schoons: al vlaamsch dat er aan is, tot de steenen toe!

Wij verwachten weer een goe dikke woordenzange:[16] als wij die maar hebben zijn wij altijd gerust, en

wij groeten u allemaal eerbiedig en zeer dankbaar in Christo
Aug. Cuppens en Anderen

Noten

[1] Cuppens en zijn vrienden zagen een pot met runen in de Schatkamer van de kathedraal van Luik. Ze wilden de runen door Gezelle laten ontcijferen met het oog op publicatie in ’t Daghet in den Oosten.

Brieven waarvan sprake is van de pot met runen:

1) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 28?/01/1885

2) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 02/03/1885

3) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van xx/04/1885

4) In zijn brief van xx/05/1885 aan A. Cuppens vraagt Gezelle uiteindelijk om hem de runen op te sturen ter ontcijfering.

5) In de brief van 14/05/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt Cuppens dat hij de afschriften van de runen bij Prof. Daris zal opvragen.

Hoewel A. Cuppens de pot met runen daadwerkelijk heeft gezien en via professor Daris over een afschrift hiervan kon beschikken, valt in ’t Daghet in den Oosten geen spoor van dit materiaal terug te vinden.

[2] Gezelle zegt in zijn antwoordbrief aan A. Cuppens: ”‘t Passielieken zal voor ’t Boek- en boekstafw. een itemke zijn; hoe meer zulke hoe beter. ’t Ware weerd op zijn eigen uitgegeven met de zangwijze erbij.” Het is niet duidelijk of het effectief gepubliceerd werd.
[3] Gebroeders Grimm, Kinder- und Hausmärchen, Vrouw Trui of Vrou Truida (KHM 43) werd door Placide Haghebaert vertaald als: Vrouwe Tryne. In: Rond den Heerd: 19 (6 januari 1884) 6, p. 47-48.
[4] R. Van De Putte, Uit boeken brieven en bladeren, Brief. In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1886) 14-15, p. 106-107: ”Daar alle bijdragen met dankende hand aanveerd worden, dar ik U een gebruik aan de hand doen dat hier t'Over-Pelt van over ouds ingeworteld zit: 't Ganstrekken.”
[5] Pierre François Loterman was geen apotheker maar onderwijzer.
[6] Geschreven in paars potlood.
[7] G. Gezelle antwoordde A. Cuppens in zijn brief van juni 1885: ”Ik heb een woord geschreven naar Lotermans.”
[8] WNT 1500-heden: “bul: zelfstandig naamwoord (vrouwelijk) 1. Lomp, vod, oude lap. 2. Voddige oude kleeren, en in 't algemeen dingen zonder waarde”.
[9] WNT 1500-heden: “Korenzang of korenzante: een handvol gelezen en samengebonden korenaren.” Het woord verwijst naar ‘Vindekoorn’, een rubriek in het blad De Student waarin ingezonden gewestwoorden opgelijst en verklaard werden, en naar ’Zantekoorn’, een soortgelijke rubriek in Guido Gezelles taalkundige tijdschrift Loquela.
[10] ‘t Daghet in den Oosten, 1 (1885) 3, p. 17.
[11] ‘t Daghet in den Oosten, 1 (1885) 4, p. 25.
[12] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 382: ”spier, sjpier, zn.: sprietje, stengel; mager kind.”
[13] Pieter Willems stond mee aan de wieg van de wetenschappelijke beoefening van de neerlandistiek in Vlaanderen. Met het oog op een vergelijkende klank- en vormleer verzamelde hij dialectwoorden uit uiteenlopende regio’s. In 1885 ging hij van start met het verspreiden van vragenlijsten waarmee hij op systematische en uniforme wijze dialectisch taalmateriaal verzamelde.

Cuppens werd in juni 1885 gevraagd om aan deze enquête deel te nemen voor het dialect van zijn geboortestad Beringen. Zijn enquête werd verzonden op 8? augustus 1885 en door Willems ingevuld ontvangen op 21 augustus 1886. Voor Limburg werkten ook anderen mee. Voor Hasselt werd de enquête, die door Erkens was begonnen, verder afgewerkt door Leen (verzonden op 8 augustus 1885, ontvangen op 15 juli 1886).

Daarmee verschilde Willems’ werkwijze van die van Guido Gezelle, die veeleer op een spontane en minder systematische manier taalmateriaal sprokkelde. Gezelle reageert dan ook heftig hierop in zijn volgende brief. Later zou hij zelf namen van contactpersonen uit Frans-Vlaanderen doorgeven om mee te werken aan het onderzoek van Willems.

(Meer over P. Willems en zijn taalonderzoek: Themanummer Honderd jaar Enquête Willems. Taal- en Tongval: 41 (1989)).

[14] A. Mervillie, Uit boeken brieven en bladeren. In: ‘t Daghet in den Oosten: I (1885) 4-5, p.105-106: "Eerweerden Heer en Vriend. In de laatste afleveringe van 't Daghet heb ik met veel smake de liedjes en deuntjes gelezen, die in Limburg — het oude en welbewaarde Limburg —nog leven in de zingende mond van de kinders. (...)”.
[15] In 1885 had de ’Grooten Ommegang‘ plaats op donderdag 4 juni.

De Groote Ommegang is een jaarlijkse processie te Luik op Sacramentsdag. De priester draagt het Heilig Sacrament in een plechtige stoet door de stad. Het 'hoogfeest van het Heilig Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus' werd voor het eerst gevierd in Luik in 1246. Juliana van Cornillon, augustines, mystica en priorin van het klooster van Mont Cornillon nabij Luik, ijverde voor de invoering van deze bijzondere feestdag ter ere van de eucharistie, geïnspireerd door een visioen. Enkele jaren later, in 1264, verhief paus Urbanus IV dit feest tot een officiële hoogdag voor de gehele Kerk. Tot op vandaag wordt 'La Fête-Dieu' te Luik gevierd met een plechtige processie op de tweede donderdag na Pinksteren.

[16] Rubriek met verzameling Limburgse dialectwoorden in ’t Daghet in de Oosten.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamClaerhout, Juliaan
Datums° Wielsbeke, 09/12/1859 - ✝ Kaster, 12 /02/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; bestuurder scholen; pastoor; auteur
BioJuliaan Claerhout, zoon van Constant Claerhout, landbouwer, en Amelia De Volder, werd op 22/12/1883 tot priester gewijd te Brugge. Hij werd leraar aan het college te Tielt (18/09/1884) en aan de normaalschool te Torhout (10/09/1887). Vervolgens was hij onderpastoor te Sint-Denijs (23/09/1889), bestuurder van de scholen te Pittem (24/11/1894) en pastoor te Kaster (17/02/1911). Claerhout werd bekend door zijn archeologische opgravingen in Pittem en Dentergem. Hij schreef o.m. verschillende artikels in het tijdschrift Belfort en was nauw betrokken bij Gezelles tijdschrift Biekorf.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; Biekorf
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamHaghebaert, Placidus Amandus; Broeder Bernardus Maria
Datums° Noordschote, 18/04/1849 - ✝ Leuven, 02/04/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; auteur
BioPlacidus Haghebaert werd geboren als zoon van Pieter en Emilia Ghyselen, landbouwers te Noordschote. Hij kreeg onderwijs in het bisschoppelijk college in Ieper (1863-1870), het kleinseminarie te Roeselare (1870-1871) en het grootseminarie te Brugge (1871-1874). Op 19 december 1874 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Aan de Katholieke Universiteit Leuven behaalde hij op 15 juli 1876 zijn baccalaureaat in de Godsgeleerdheid. Hij werd eerst onderpastoor in Zonnebeke (14/12/1876-28/07/1880) en vervolgens in Koekelare (28/07/1880-30/04/1888), waar hij buurman was van Karel De Gheldere. Op 30/04/1888 trad hij in bij de Dominicanen in Hoei, voltooide er op 10/05/1889 zijn noviciaat en nam zijn intrek in het Predikherenklooster van de Dominicanen in Leuven. Zijn kloosternaam was pater Bernardus Maria. Na zijn professie op 11/05/1892 werd hij in juni benoemd als lector aan het Studium Generale van de Dominicanen. Naast zijn lesopdracht was hij bestuurder van de Vlaamse congregatie der Derde orde van Sint-Dominicus en het Genootschap der arme vrouwen (Leuven). Haghebaert was ook nauw betrokken bij de oprichting en de werking van het Sint-Thomasgenootschap van de Domincanen (1897) in Leuven. Van 1876 tot 1889 werkte hij actief mee aan “Rond den Heerd”. Zijn bijdragen verschenen als reeksen in het weekblad o.a. “Aptonga” (1878-1879) en de eerste Vlaamse vertaling van de “Goddelijke Komedie” van Dante (1885-1887). Dit werk verscheen in 1901 als boek. Vanaf 1877 tot 1883 was hij lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde en ook een actieve zanter. Tijdens zijn religieuze periode 1888-1905 vertaalde hij vooral patristieke werken en verschillende delen van het Oude Testament. Er verschenen van hem ook artikelen in de tijdschriften “Dietsche Warande & Belfort”, en “Revue biblique van de Ecole biblique et archéologique Française de Jérusalem”. Ten gevolge van een korte ziekte stierf hij te Leuven op 2 april 1905 en werd hij op 5 april begraven op het kerkhof van de Abdij van Park.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker Rond den Heerd; zanter; SInte-Luitgaarde
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: 'Het teeken des vreden'. Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamMervillie, Alfons; Bach-Mervillie
Datums° Wontergem, 17/05/1856 - ✝ Kortrijk, 04/04/1942
GeslachtMannelijk
Beroepcomponist; vertaler; auteur; dichter; priester; leraar; pastoor
BioAlfons Mervillie , zoon van Pieter Mervillie, landsman, en Regina Quintyn, was een componist, vertaler, prozaschrijver (in didactisch-volkse trant) en gelegenheidsdichter. Hij was een taalparticularist en "buitensporig taalpurist" (De Vleeschouwer). Aan het kleinseminarie te Roeselare was hij leerling van H. Verriest. Hij was een geestdriftig muziekliefhebber en bewonderaar van Bach. Hij werd priester op 27/08/1882 en op 03/10/1880 leraar orgelspel en kerkzang aan de nomaalschool en kosterschool te Torhout. Vanaf 1891 was hij onderpastoor te Dudzele (27/11/1891), Nieuwpoort (15/05/1896), en Aartrijke (23/11/1898), en pastoor te Nieuwkapelle (22/08/1913). Hij schreef verschillende bijdragen in Biekorf, en was de auteur van 12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedragen. Leipzig, 1884 (1886, uitgebreid, met een inleiding op schoonheidsleer), Gusten, verhaal uit den ouden tijd. Brugge,1891 en Evangeline, Roeselare, 1901 (metrische vertaling uit Longfellow).
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; componist Gezelleliederen
BronnenF. De Vleeschouwer, Mervillie, Alfons. In: NBW 4, kol. 560- 564
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamWillems, Pieter
Datums° Maastricht, 06/01/1840 - ✝ Sint-Joris-Weert, 23/02/1898
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; classicus; dialectoloog
VerblijfplaatsNederland
BioWillems werd geboren in Maastricht waar hij humaniorastudies deed. Daarna ging hij naar de universiteit in Leuven waar hij in 1861 de graad van doctor in de letteren behaalde. Hij werd er in 1964 hoogleraar in de klassieke filologie en in 1872 secretaris van de universiteit. Willems was sinds 1871 briefwisselend en sinds 1877 werkend lid van de Koninklijke Academie van België in Brussel. In 1885 was hij lid van de Klasse der Letteren van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Amsterdam en in 1886 werd hij lid en eerste voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent. Als pas benoemd hoogleraar was hij in 1866, in opvolging van J.B. David, voorzitter geworden van "Met Tijd en Vlijt". Daarna was hij ook, van 1878 tot aan zijn dood in 1898, voorzitter van het Davidsfonds. Door zijn vele academische en culturele functies was hij een zeer gevraagd gastspreker en gewaardeerd jurylid van staatsprijzen, o.m. die van Conscience in 1870 en V. Loveling in 1894. Als classicus legde hij zich toe op de dialectologie. Hij schreef er verschillende artikelen over en verzamelde een massa dialectmateriaal uit 337 Vlaamse dorpen en steden, dat gedigitaliseerd werd in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
Bronnen https://pieterwillems.eu/leven
NaamGrimm, Jakob
Datums° Hanau (Duitsland), 04/01/1785 - ✝ Berlijn (Duitsland), 20/09/1863
GeslachtMannelijk
Beroeptaal- en letterkundige; bibliothecaris; diplomaat; jurist; hoogleraar
VerblijfplaatsDuitsland; Oostenrijk
BioJacob Grimm is een taal-en letterkundige die zich toelegde op het gebied van lexicografie, vergelijkende taalkunde en mythologie. Hij werkte vaak samen met zijn broer Wilhelm. Ze staan bekend als de gebroeders Grimm. In 1802 studeerde Jacob rechten aan de universiteit van Marburg, maar hij stopte al vrij snel met deze studies. Hij legde zich steeds meer toe op de studie van taal- en letterkunde. In 1808 werd hij bibliothecaris van de privébibliotheek van Jérôme Bonaparte, koning van Westfalen. Hier begon hij samen met zijn broer sprookjes te verzamelen. Van 1813 tot 1815 was Jacob Grimm in de diplomatieke dienst werkzaam. Hij werd bibliothecaris van de bibliotheek van Kassel in 1816, waar zijn broer ook al werkzaam was. Later ging hij aan de slag als hoogleraar in Göttingen en Berlijn. In zijn Deutsche Grammatik (1822) formuleert hij de wetmatigheid die in de historische taalkunde de Germaanse klankverschuiving beschrijft, ook wel Wet van Grimm genoemd. Samen met zijn broer Wilhelm startte hij de samenstelling en uitgave van het Deutsches Wörterbuch op (1852-1960).
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellevaak gebruikte auteur als bron door Gezelle
NaamLoterman, Auguste; Loterman, Augustinus
Datums° Elst, 08/01/1856 - ✝ Sint-Truiden, 27/05/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioAuguste Loterman werd op 8 januari 1856 te Elst geboren als tweede zoon van Pierre François Loterman (1817–1911) en Sophia Craeye (1823–1896). Hij volgde zijn priesteropleiding aan het grootseminarie van Luik, waar hij op 19 mei 1883 tot priester werd gewijd. Na zijn wijding werd hij benoemd tot pastoor van de parochie Saint-Sauveur in het landelijke dorpje Rausa, aan de Maas, nabij Hoei. Hij genoot bekendheid om zijn verzameling archeologische vondsten. Auguste Loterman overleed op 29 mei 1905. Hij werd begraven in het familiegraf te Elst, waar ook zijn ouders hun laatste rustplaats vonden.
Links[odis]
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967). Liège: E. Koninckx, 1974-1975, dl. II, p. 210; https://www.brakel.be/allerlei-info/vrije-tijd-en-communicatie/merkwaardige-graven/het-graf-van-de-pastoor-auguste-loterman-a1-4-6-mic-8/
NaamLoterman, Pierre François
Datums° Erwetegem, 02/04/1817 - ✝ Michelbeke, 27/07/1911
GeslachtMannelijk
Beroeponderwijzer
BioPieter Francies Loterman werd geboren in Erwetegem op 2 april 1817 als zoon van Constant Loterman, een steenbakker uit Michelbeke, en Jacoba Van Der Massen. Hij huwde met Sophia Craye (1823-1896). Het echtpaar kreeg onder meer een zoon, Auguste François Loterman, die op 8 januari 1856 in Elst werd geboren. Het gezin vestigde zich omstreeks 1818 in Michelbeke, in de Dorenbeekstraat. Pieter Francies Loterman speelde er een belangrijke rol in de ontwikkeling van het gemeentelijk onderwijs. In 1840 richtte hij een privéschool op en drie jaar later werd hij aangesteld als de eerste gemeenteonderwijzer van Michelbeke. Daarmee stond hij aan de wieg van het georganiseerde gemeentelijke onderwijs in de gemeente. In 1870 werd in de Heksteelstraat een nieuwe gemeenteschool gebouwd, waar Loterman met zijn gezin naar de bijhorende woning verhuisde. Hij was er de enige leerkracht en bleef er lesgeven tot aan zijn pensionering in 1885, op 68-jarige leeftijd. Pieter Francies Loterman overleed in Michelbeke op 27 jul 1911.
Bronnen https://www.brakel.be/allerlei-info/vrije-tijd-en-communicatie/merkwaardige-graven/het-graf-van-de-pastoor-auguste-loterman-a1-4-6-mic-8/

Naam - plaats

NaamBerg
GemeenteTongeren
NaamElst
GemeenteBrakel
NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamLuik

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]
NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden
NaamSchatkamer van de kathedraal van Luik
BeschrijvingDe Schatkamer van de kathedraal van Luik (Trésor de Liège) bevindt zich tegenwoordig in de gerenoveerde kloostergangen van de Sint-Pauluskathedraal. De kerkschatten van de voormalige Sint-Lambertuskathedraal, gered uit de handen van de Franse revolutionairen, werden op 1 januari 1804 plechtig overgebracht naar de sacristie van de Sint-Pauluskathedraal en vormden het begin van de collectie. Later werden er ook artefacten uit de kerken en het prins-bisschoppelijk paleis van Luik tentoongesteld. Tot de topstukken behoren de reliekbuste van Sint-Lambertus en het reliekschrijn van Karel de Stoute.
Datering1804-heden
Links[wikipedia]
NaamWerd der Vlamingen, Luik
BeschrijvingDe benaming Werk der Vlamingen werd gebruikt voor diverse kerkelijke initiatieven en organisaties in Wallonië, Noord-Frankrijk en Parijs die zich richtten op de geestelijke en sociale begeleiding van Vlaamse arbeiders. Er bestonden drie grote Werken der Vlamingen, in Luik, Rijsel en Parijs. Het Werk der Vlamingen in Luik werd in 1865 door de redemptoristen opgericht en groeide uit tot een bloeiende vereniging met verschillende sociale en culturele activiteiten en duizenden leden. De stad Luik telde ongeveer 30.000 Vlamingen op een totale bevolking van 130.000 inwoners. Het Werk der Vlamingen zette zich in om de Vlaamse taal, het katholieke geloof en de culturele eigenheid van de Vlaamse gemeenschap in de Waalse hoofdstad te vrijwaren. Zo zamelde het Werk der Vlamingen fondsen in voor de bouw van een ‘gesticht’ in Vlaamse stijl. Wegens een gebrek aan financiële middelen werd het project echter nooit voltooid.
Datering1865-1969

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelonbekend
Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens

Titel[04/06/1885], Luik, August Cuppens e.a. aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Peter De Baets (research); Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Peter De Baets (research); Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [04/06/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Verzender[Limburgsch Zantersgildeken]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[04/06/1885]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens en de brieftekst: vandaag had de Grooten Ommegang plaats: in 1885 ging die door op donderdag 4 juni ; adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt; potlood, purper
Staat volledig
Toevoegingen zijde 1 met blauw potlood doorgehaald
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7469
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13857
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/a79567a2ce00c519c117354e87e3ef2b2dd0e568/manifest
Inhoud
IncipitWij schikken u:
Samenvatting bijlagen ontbreken: 1) afschrift van runen op oude pot 2) "oud passielieken" 3) artikel van Lenaerts over "kinderliekens in Limburg"; 4) "Een vertelselken van den Maaskant" 5) opstel van Rykhart Van De Putte over "'t ganzenspel in de Kempen" 6) "Een tweespandig blad uit eenen ouden met de hand geschreven Legenden-boek"
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.