Wij schikken u:
1° 't Oud geschrift van dien pot, punt afgeschreven wi het op den ouden pot stant (Daar is, jammer genoeg, een heel deel uitgevaagd van den sleet)[1]
2° 't Limburgsch? oud passielieken dat ze in veel huisgezinnen der Kempen nog zingen in den vasten en bezonder in de goê week. Wij kunnen er de wijs ook van bezorgen als ze kan nuttig zijn.[2]
3° Een schrijven van Koob over kinderliekens in Limburg
4° Een vertelselken van den Maaskant. ('t Staat mij zoo goed niet aan als 't eerste dat, schijnt het, in rond den Heerd van verleên jaar gestaan heeft, uit het hoogduitsch van grimm overgezatten.)[3]
5° Een klein opstel van Rijkaart over 't ganzenspel in de Kempen.[4]
6° Een tweespandig blad uit eenen ouden met de hand geschreven Legenden-boek die nog in 't bezit moet zijn van Mijnheer Loterman, apotheker[5] tot Elst[6] (Oost-Vlanderen).[7] Zijn E. H. Zoon, die verleên jaar nog bij ons in 't Seminarie was maar die nu kapelaan is heeft dat blad eens meêgebracht om 't eene van ons te laten zien. Hij zei dat zij te zijnent nog veel van die oude boeken hadden waar dat hij er al verschilligen van opgestookt had omdat ze niets met die in bullen[8] kosten aanvangen. Als gij eens schrijft naar dien Heervader krijgt gij misschien die boeken wel, want hij is nog al genegen voor 't vlaamsch, zegde zijnp2zoon.
't Daghet is al twee keeren afgekomen met een belachelike korenzange,[9] één van 6[10] en een van twee![11] spieren.[12] Wij hebben geschreven dat ze dezen keer eens zouden zorgen dat er wat groote zang inkwam, want de korenzange is toch 't bezonderste.
Wij hebben over tijd nen vereerden brief gehad van Hoogleeraar P. Willems van Leuven waar hij ons in vroeg of wij hem niet wilden en kosten helpen voor “eene grootsche onderneming,[13] die, hoopt hij, hij met Gods genade zal volvoeren.
Het geldt eene vergelijkende klank- en vormleer der tegenwoordig gesproken nederlandsche dialecten. Dit werk zal bijzonder tot gevolg hebben onze rijkgekleurde limburgsche dialecten uit den achtergrond, waar ze heden in staan, te doen verrijzen, en hun den rang toe te kennen die hun toekomt.”
Wij hebben de Hoogachtende Heer geantwoord dat wij wel wilden mee doen als wij kosten en hij heeft ons bedankt en geschreven dat men alleen zijne dorps- of stadsspraak goed behoefde te kennen om meêwerker kunnen te zijn. 'k Ben eens nieuwsgierig wat daar van komen gaat. Maar gij hebt daar al af gehoord, zeker?
Gij moest de E. H. Claerhoudt eens vragen of hij ons ook geen handeken helpen wilt: p3hij heeft dat onder 't groot verlof beloofd aan Arthur.
Mr Mervillie gaat over onze kindervolkliedekens schrijven zoo gauw als hij de kans heeft — dat wilt zeggen, als 't de moeite weerd is.[14]
Wij hebben vandaag de grooten ommegang[15] gehad van de Cathedraal, de soldaten waren der ook weer bij en 't is heel schoon geweest.
't Gaat hier met veel pracht toe maar ik zie nog honderd keeren liever de processie van Beeringen waar alleman in gaat, terwijl dat ze hier langst de processie staan te zien of 't ware voor de aardigheid en zij meenen dat zij al veel doen als ze hunnen hoed eens half afgedaan hebben voor onzen Lieven Heer! Die hen 't schoonste schikten in den ommegang, dat waren de Vlamingen, leden van 't Vlaamsch werk. Zij leveren voor de 3/4 de keersen en vaandeldragers en zij doen dat met blijdschap en voor niet, terwijl dat de walsche zangers en dragers moeten betaald worden. Als gij nog ooit naar Luyk komt moet gij eens naar ons vlaamsch gesticht gaan zien. Dat is mij wat schoons: al vlaamsch dat er aan is, tot de steenen toe!
Wij verwachten weer een goe dikke woordenzange:[16] als wij die maar hebben zijn wij altijd gerust, en







