Wij hebben nen heelen hoop veerdig gekregen zoo ge wel zien zult aan 't meêgaande pakske. Mer ik vrees wel dat het multa sed non multum[1] en is.
Daar zal toch wel 't een en 't ander bij zijn waar gij met af- en bijdoen iets kunt af maken dat dienen mag.
Wat dacht u van de twee lest nos van 't Daghet.[2] Zoudt ge niet moeten nijdig zijn, als ge 't kunt, op ons, dat Joh. Winkler zoo schoone dingen naar Limburg schikt?[3]
Wij zouden geeren vóór 't heruit te geven leven van Ste Luutgarde[4] eenen uitleg van heuren schoonen naam zetten; dien moest gij ons eens maken? Keurt gij 't ook niet goed dat wij op 't einde van 't boeksken een gebedeken of een dichteke ter eere Ste Luutgarde drukten in Tüngersche tong?
Hierbij een kluchtliedeken in 't Tongersch gedicht van nen jongen heer Jaminé die er nog meer zoo uitgegeven heeft.[5]
Die zoue wij dan eens aanspreken voor zoo 'n gebeêke. Zou ik ook niet schrijven in 't Daghet over de schoone feest van Thielt ter eere van Debo Zaliger?[6] Ik geloof wel dat ze p2daar hier zeer geeren zouden van hooren.
Onze beste vriend en goede medezanger Balth. Broers van Moelinghen ligt doodelik ziek te zijnent. Bidt onzen goeden God a.u.b. met ons dat Hij hem late gezond worden.
Dat ziekzijn geeft ons veel droefheid. 't Is zoo ne brave en oprechte jong! Gij hebt hem gezien toen gij hier geweest zijt, dien grooten langen wittekop die alles, latijn en fransch, wou verdietschen voor de klucht. Zoo voor Vesperale zie hij Avondboek, voor Graduale = Trappenboek, voor Rokkelijn[7] = geestelik euverhemd, voor Harmonium: kleine pijpenkast. Moge God hem geven wat hem zalig is; en ons herte vraagt: dat hij toch mag genezen. Wij allen maken het anders heel goed.
Ik ben nog niet uitgekald van mijne reis naar uwent toe.[8] Had ze toch mer wat langer kunnen duren! 't Komt mij voor of ik mer eens gedroomd had! Wij hadden gemeend dat wij met Kerstmis gongen priestergewijd worden,[9] mer daar zal nu lijkens niets af komen; Monseigneur heeft priesters te Brugge gevraagd en gekregen.
Wij zijn der blij om: daar zullen zeker weer eentige goê Vlamingen bij zijn en zoo krijgen wij langzamerhand een heel West-Vlaamsche volkzetting in Limburg. Hoe meer der komen van die kant hoe beter. Daar is mer een ding dat ons wat spijt; 't is dat wij Limburgsche dietschers nu allemaal bekans p3naar de Walen moeten, want de vremdelingen meugen kiezen en hun keus valt natuurlik bekans altijd op 't Dietsch land. En 't is punt in 't Walenland dat er zoo veel priesters te kort zijn. Mer in Gods naam!
Als gij ons nu bijdragen terugstuurt, Meester, sla der dan eens nen flinke slag door: zooveel mogelik want de drukker heeft bekans niets meer liggen. Dan laten we u ook voor nen heelen tijd gerust. Stuurt bezonder mer zooveel woorden mogelik.
't Is jammer dat een blad wi “Rond den Heerd” zoo deerlik moet ontzien werden van de geuzen.[10]
Dat antwoord[11] van Paul Gredericq[12] stond beter in 'nen geuzebocht op zijn plek.
't Is met die lieden: als ge met den pot omgaat werdt ge er van bekrozen![13]
Monseigneur de Bisschop heeft hier, op 't retraite van de professors gezegd dat zij hen goed moesten toeleggen op hunne vlaamsche lessen, ook op die ze aan de Walen geven en dat ze niet en mosten denken: dat de Vlaamsche klas mer voor even veel ingesteld was.
'k Wil eens zien of de lessen nu ernstig gaan gegeven worden.
Nu tot later als 't God belieft.
Wij wonen nog altijd bij de Beemutsen voor onze brieven etc.[14]
Wij groeten u allemaal zeer dankbaar en genegen in Christo
'k Heb mijne “Gecluêurde Broek”[15] van Jaminé verloren gestoken. Zoo haast ik het stukske terug vind zal ik 't u opsturen.







