<Resultaat 1288 van 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Weleerweerden Heer en dierbare Meester,

Wij hebben nen heelen hoop veerdig gekregen zoo ge wel zien zult aan 't meêgaande pakske. Mer ik vrees wel dat het multa sed non multum[1] en is.

Daar zal toch wel 't een en 't ander bij zijn waar gij met af- en bijdoen iets kunt af maken dat dienen mag.

Wat dacht u van de twee lest nos van 't Daghet.[2] Zoudt ge niet moeten nijdig zijn, als ge 't kunt, op ons, dat Joh. Winkler zoo schoone dingen naar Limburg schikt?[3]

Wij zouden geeren vóór 't heruit te geven leven van Ste Luutgarde[4] eenen uitleg van heuren schoonen naam zetten; dien moest gij ons eens maken? Keurt gij 't ook niet goed dat wij op 't einde van 't boeksken een gebedeken of een dichteke ter eere Ste Luutgarde drukten in Tüngersche tong?

Hierbij een kluchtliedeken in 't Tongersch gedicht van nen jongen heer Jaminé die er nog meer zoo uitgegeven heeft.[5]

Die zoue wij dan eens aanspreken voor zoo 'n gebeêke. Zou ik ook niet schrijven in 't Daghet over de schoone feest van Thielt ter eere van Debo Zaliger?[6] Ik geloof wel dat ze p2daar hier zeer geeren zouden van hooren.

Onze beste vriend en goede medezanger Balth. Broers van Moelinghen ligt doodelik ziek te zijnent. Bidt onzen goeden God a.u.b. met ons dat Hij hem late gezond worden.

Dat ziekzijn geeft ons veel droefheid. 't Is zoo ne brave en oprechte jong! Gij hebt hem gezien toen gij hier geweest zijt, dien grooten langen wittekop die alles, latijn en fransch, wou verdietschen voor de klucht. Zoo voor Vesperale zie hij Avondboek, voor Graduale = Trappenboek, voor Rokkelijn[7] = geestelik euverhemd, voor Harmonium: kleine pijpenkast. Moge God hem geven wat hem zalig is; en ons herte vraagt: dat hij toch mag genezen. Wij allen maken het anders heel goed.

Ik ben nog niet uitgekald van mijne reis naar uwent toe.[8] Had ze toch mer wat langer kunnen duren! 't Komt mij voor of ik mer eens gedroomd had! Wij hadden gemeend dat wij met Kerstmis gongen priestergewijd worden,[9] mer daar zal nu lijkens niets af komen; Monseigneur heeft priesters te Brugge gevraagd en gekregen.

Wij zijn der blij om: daar zullen zeker weer eentige goê Vlamingen bij zijn en zoo krijgen wij langzamerhand een heel West-Vlaamsche volkzetting in Limburg. Hoe meer der komen van die kant hoe beter. Daar is mer een ding dat ons wat spijt; 't is dat wij Limburgsche dietschers nu allemaal bekans p3naar de Walen moeten, want de vremdelingen meugen kiezen en hun keus valt natuurlik bekans altijd op 't Dietsch land. En 't is punt in 't Walenland dat er zoo veel priesters te kort zijn. Mer in Gods naam!

Als gij ons nu bijdragen terugstuurt, Meester, sla der dan eens nen flinke slag door: zooveel mogelik want de drukker heeft bekans niets meer liggen. Dan laten we u ook voor nen heelen tijd gerust. Stuurt bezonder mer zooveel woorden mogelik.

't Is jammer dat een blad wi “Rond den Heerd” zoo deerlik moet ontzien werden van de geuzen.[10]

Dat antwoord[11] van Paul Gredericq[12] stond beter in 'nen geuzebocht op zijn plek.

't Is met die lieden: als ge met den pot omgaat werdt ge er van bekrozen![13]

Monseigneur de Bisschop heeft hier, op 't retraite van de professors gezegd dat zij hen goed moesten toeleggen op hunne vlaamsche lessen, ook op die ze aan de Walen geven en dat ze niet en mosten denken: dat de Vlaamsche klas mer voor even veel ingesteld was.

'k Wil eens zien of de lessen nu ernstig gaan gegeven worden.

Nu tot later als 't God belieft.

Wij wonen nog altijd bij de Beemutsen voor onze brieven etc.[14]

Wij groeten u allemaal zeer dankbaar en genegen in Christo

Uw toegenegen
Gust Cuppens

'k Heb mijne “Gecluêurde Broek”[15] van Jaminé verloren gestoken. Zoo haast ik het stukske terug vind zal ik 't u opsturen.

Noten

[1] Vertaling (Latijn): Wel veel maar niet grondig.
[2] ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 7-8.
[3] J. Winkler, De vadersnamen of patronymika in de maegschaps- of plaetsnamen. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 7-8, p. 52-55.
[4] Cuppens schreef in zijn brief van xx/08/1885 aan Gezelle: “Rijkhart van de Putte vraagt mij of gij der niets tegen hebt dat hij 't hier bijgevoegd leven van Sinte Luutgarde heruitgeeft aan 5 centen 't stuk voor de liefhebbers.”

Bij ’t Daghet in den Oosten verscheen een prospectus met een blanco intekenformulier voor de uitgave ’t Leven van Sinte Luitgaarde van Tongeren. Het formulier werd gedrukt en ondertekend door Aerdryck R. Van de Putte. Zie: Bijvoegsel aan ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 7-8 (Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. 7481).

Volgens het prospectus gaat het over een heruitgave van het leven van Sint-Luitgarde zoals beschreven in Vita piae Lutgardis van Thomas van Cantimpré (Cantimpratensis). Het boekje was blijkbaar populair want in zijn brief van 07/01/1886 schrijft R. Van De Putte aan G. Gezelle: “Nu over Ste Luutgarde: De boekskens zijn haast uitverkocht. Wij zullen dan eene tweede heruitgaaf maken.”

[5] Het liedje was niet bij deze brief gevoegd. Zie de p.s. verderop: Cuppens had het ergens verkeerd gelegd.
[6] Op 30 september 1885 organiseerde het Davidsfonds Tielt een Huldedag met rouwdienst en een tentoonstelling van De Bo’s waardevolle boeken en manuscripten. Bij die gelegenheid voerden onder anderen K. De Gheldere en G. Gezelle het woord. De studenten streden voor een verregaande toepassing van de wet op de vernederlandsing van het katholiek onderwijs (1883). Ze werden steeds kritischer tegenover het bisdom en het Davidsfonds. De spanning bereikte een hoogtepunt na de dood van Leonard De Bo in de late zomer van 1885. Enkele weken na de grootse Vlaamse studentenlanddag sprak Guido Gezelle erg tegen zijn zin op de grote huldeviering voor De Bo op 30 september te Tielt. Tijdens de viering, georganiseerd door het Davidsfonds, nam hij nadrukkelijk afstand van de studentenstrijd en noemde hen ’ruitebrekers’.

Gezelles redevoering en verslag van de huldedag verschenen eerder in Rond den Heerd: Guido Gezelle, Kerkhofblommen, geplukt bij het graf van zaliger den zeer eerweerden Heer Pastor en Deken L.-L. De Bo. In: Rond den Heerd: 20 (4 October 1885) 45, p. 349-356, en het verslag van de dag: G. Gezelle, Hulde aan De Bo te Thielt, 30 september 1885. In: Rond den Heerd: 20 (4 October 1885) 45bis, p. 357-364.

Met vermelding van de aanwezigheid van Cuppens op p. 360.

[7] A.W. Stellwagen, Roomsche woorden. Groningen: J.B. Wolters, 1902, p. 192: “Rokelijn (d. i. het Witte kleed , dat de priester draagt over zijne toga, als hij de vesper doet, of de kruiswegoefening, of 't H. Doopsel toedient, en in 't algemeen, dat hij aanheeft bij mindere plechtigheden dan wanneer hij de H. Mis opdraagt).”
[8] Cuppens reisde naar West-Vlaanderen om er de huldeviering van L. L. De Bo bij te wonen op 30 september 1885. In zijn eerdere brief aan Gezelle van xx/09/1885 had hij laten weten aan Gezelle dat het moeilijk was om erbij te zijn o.m. omwille van financiële redenen: ”Wat ons betreft, Koob, Rijkhart en mij, wij zouden met blijdschap komen al is ons verlof ook den tweeden Oct. uit, maar 1° wij zijn zoo schamele boden van Limburg voor zoo nen man wi E. De Bo Zaliger en 2° de reis kost te veel voor onze studentenbeurskens.” Gezelle zal de reiskosten van Cuppens betalen en hem in zijn huis laten logeren zoals blijkt uit de brief van Cuppens aan Gezelle van begin 10/1885.
[9] A. Cuppens zal op 9 april 1886 tot priester gewijd worden.
[10] Cuppens verwijst hier naar de polemiek over het West-Vlaamse taalparticularisme in Rond den Heerd, onder de titel ‘Potsierlijk West-Vlaamsch’. Paul Fredericq had kritiek geuit op het taalgebruik in Rond den Heerd in een artikel in De Nederlandsche Spectator (27 juni 1885). Hij bestempelde het West-Vlaams in Rond den Heerd als "potsierlijk”.

Een overzicht van het volledige debat tussen E. Daniëls, P. Fredericq en J. Winkler is opgenomen in het inhoudsregister: Rond den Heerd, 20 (1885), p. 411-412: “Taal: Potsierlijk West-Vlaamsch”.

[11] Er staan twee reacties van Paul Fredericq in Rond den Heerd. Cuppens verwijst naar de tweede reactie.

Reactie 1: Paul Fredericq ontkent de beschuldiging dat hij de Vlaamse taal heeft aangevallen en benadrukt dat hij nooit in De Gids heeft geschreven en vraagt daarom om een rechtzetting in Rond den Heerd.

Zie: P. Fredericq, Potsierlijk West-Vlaamsch. Brief van 2 October 1885. In: Rond den Heerd: 20 (18 oktober 1885) 47-48, p. 366: “(…) Hopende tot geene dwangmiddelen te moeten overgaan om U dit briefje in het eerstvolgend nummer van Rond den Heerd te doen opnemen, groet ik U met christelijke broederliefde.”

Reactie 2:

Paul Fredericq verdedigt zich tegen de beschuldiging dat hij de Vlaamse taal zou afbreken. Hij verwijst naar zijn artikel in De Nederlandsche Spectator waarin hij de taal van Rond den Heerd ‘potsierlijk’ heeft genoemd. Hij toont aan de hand van citaten uit Rond den Heerd aan dat Adolf Duclos en Rond den Heerd zich verzetten tegen het algemeen Nederlands. Hij vindt die houding schadelijk voor de eenheid van de Nederlandse taal en vraagt zich af waarom Johan Winkler hen verdedigt.

Zie: P. Fredericq, Brief van 10 November 1885. In: Rond den Heerd: 20 (15 November 1885) 52, p. 397-399.

[12] Sic. Cuppens verwijst naar Paul Fredericq.
[13] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p.40: ”Bekruizen, bekroos, bekrozen. Met roet zwart maken, als 't vuur doet; b.v. een bekrozen ketel. Weiland heet het w. verouderd. Geh. gansch Limb.”
[14] Het Luikse adres ‘bij de Berenmutsen’, dat werd gebruikt voor de briefwisseling rond ’t Daghet in den Oosten, lijkt te verwijzen naar een gendarmeriepost in Luik. Immers, het vooroorlogse uniform van de Belgische Rijkswacht bestond onder meer uit een zwarte berenmuts, die vanaf het einde van de 19de eeuw nog uitsluitend bij officiële plechtigheden werd gedragen.

Mogelijk fungeerde Désiré Van De Putte (°1831), brigadier bij de Rijkswacht te Gent en vader van Rykhart, hierbij als tussenpersoon? Gezelle vroeg in zijn brief van xx/03/1885 aan Cuppens of het mogelijk was de gendarm als tussenpersoon weg te laten.

[15] Mogelijk gaat het over het liedje van Jaminé met als titel ’M’n ieste jonges-broek’ dat kennelijk heel populair was. Het lijkt in de buurt te komen van wat Cuppens neerpent.

Zie: P. Bellefroid, Onze Hedendaagsche Limburgsche Dichters, 1906. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1906, p. 358:

“'G waois zoo'n goei vier joeëraad, boes toch dê taaid verloupe!...

Vol poeï'r en vleugeraai.... ig waois ni van kartong!....

Ouk waois ig dûvels mù met metskesklei'r te loupe,

'Nig vroeg, veur goed, aoin meer, en taubroek waai 'ne jong....

't Waois staois van Sinterkloeës, dat zal ig nooit vergête.

Ik kreeg van d'n helge man en vrouw van pêperkoek,

En troem'l, e jaog-gewêr en nog van al veur t'ête,

En eind'lik, menen droum, men iëste jonge-broek. (Bis.)”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamBroers, Balthasar; Broers, Balthazar; B.B.
Datums° Moelingen, 06/01/1861 - ✝ Eijsden, 24/10/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioBalthasar Broers werd geboren in Moelingen (Voeren) op 6 januari 1861, als zoon van Balthasar Broers en Maria Catharina Janssen. Tijdens zijn studies aan het groot Seminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd priester gewijd op 19 juni 1886 in Luik. Op 17 oktober 1895 werd hij benoemd tot pastoor van de parochie Sint-Jan Baptist in Herstappe, een functie die hij waarnam tot 1904. Balthasar Broers overleed in Eijsden (Nederland) op 24 oktober 1918.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, dl. I, p. 38; Geneanet
NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk; Leenaert
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/07/1873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamFredericq, Paul
Datums° Gent, 12/08/1850 - ✝ Gent, 23/03/1920
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; hoogleraar; geschiedkundige
BioFredericq studeerde aan het Koninklijk Atheneum van Gent en aan de normaalschool verbonden aan de universiteit van Luik, waar hij afstudeerde in 1871. Hij gaf les in het College van Mechelen en in het Atheneum van Aarlen en Gent. Vervolgens werd hij hoogleraar aan de universiteit van Luik. In 1875 behaalde hij een doctoraat in de historische wetenschappen. In 1883 werd hij hoogleraar aan de universiteit van Gent, waar hij Nederlandse letteren en Belgische geschiedenis doceerde. Als liberaal was hij was betrokken bij de Vlaamse Beweging en het Willemsfonds. Hij streed voor het Nederlands als taal binnen het onderwijssysteem. In verband met de Vlaamse beweging publiceerde hij later Schets eener Geschiedenis der Vlaamsche Beweging (1906-1909). Hij was hoofdredacteur van het liberale tijdschrift Het Volksbelang. Hij was sociaalvoelend en hij trachtte de kloof met de arbeidersklasse te overbruggen door de stichting in 1894 van het Hooger Onderwijs voor het Volk. Als onverzoenlijk tegenstander van de Duitse bezetter tijdens W.O. I kwam hij met de Duitse overheid in conflict rond de vernederlandsing van de Gentse universiteit, als onderdeel van de Duitse Flamenpolitik, en werd gedeporteerd, samen met een andere historicus Henri Pirenne. In 1919 werd hij nog kort rector van de Gentse universiteit.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan (junior)
Datums° Haarlem, 06/10/1898 - ✝ Deventer, 27/09/1986
GeslachtMannelijk
Beroepjournalist
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Winkler (junior) werd geboren in Haarlem op 6 oktober 1898 als zoon van Andries Winkler en Alida van Blaaderen. Hij was de kleinzoon van Johan Winkler en huwde met Klara Hedwig Charlotte Richter en later, na echtscheiding, met de jeugdschrijfster Johanna Christina Vonk. Johan Winkler studeerde eerst theologie in Leiden en Amsterdam en later Germaanse Letteren in Amsterdam. Hij was ondertussen secretaris geworden van P.J. Troelstra (SDAP). Vanaf 1927 werd hij achtereenvolgens benoemd tot chef-redacteur van het Rotterdamse "Voorwaarts", en tot directeur van de "Arbeiderspers", "Vrij Nederland", "Het Parool" en de "Kluwerpers". Naast zijn journalistieke bedrijvigheid maakte hij ook vele vertalingen (vooral uit het Duits) van literaire (o.a. Rilke en Stefan Zweig), filosofische en historische werken.
NaamDoutreloux, Victor Joseph
Datums° Chênée, 18/05/1837 - ✝ Luik, 24/08/19012
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; bisschop
BioVictor Joseph Doutreloux werd geboren op 18 mei 1837, maar verloor als zevenjarige zijn ouders, waardoor hij onder de voogdij van zijn oom geplaatst werd. Hij liep school aan het collège Marie-Thérèse de Herve, het Kleinseminarie van Sint-Truiden en het Grootseminarie van Luik. Na studies aan de Gregoriaanse Universiteit van Rome werd hij tot priester gewijd op 23 februari 1861. Bij zijn terugkeer naar België werd Doutreloux directeur van verschillende religieuze onderwijsinstellingen, waaronder het Kleinseminarie van Sint-Truiden en het Grootseminarie van Luik. Bij de dood van toenmalige bisschop van Luik, Théodore de Montpellier werd de benoeming van Doutreloux tot 86ste bisschop van Luik een feit. Zijn bisschoppelijk beleid was sterk sociaal betrokken, en hij poogde dan ook om via allerlei initiatieven de katholieke elite en de sociale arbeidersklasse nauwer te verbinden. Hoewel hij Flamingante propaganda en verenigingen verbood onder studenten van katholieke colleges, aangezien hij vreesde dat dit de scholierenpopulatie zou kunnen verdelen, stond hij progressief tegenover het gebruik van volkstaal in het onderwijs, en gaf hij de schoolbesturen en lerarenkorpsen in zijn bisdom vrijheid op dit vlak. Hij overleed te Luik op 24 augustus 1901.
Links[odis], [wikipedia]
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging
NaamJaminé, Edmond
Datums° Herzele, 24/10/1856 - ✝ Hamont, 22/04/1932
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; componist; muzikant; dichter; toneelschrijver
BioEdmond Jaminé werd op 24 oktober 1856 geboren in Herzele als zoon van Jean Edmond Jaminé en Hendrika Fontaine. Hij studeerde aan het kleinseminarie van Sint-Truiden en vervolgens rechten aan de Universiteit van Leuven. Hij was advocaat aan de Tongerse rechtbank, maar zijn grootste passies waren toneel, muziek, fotografie en sterrenkunde. In Tongeren speelde hij een prominente rol in het culturele en sociale leven. Zo was hij nauw betrokken bij de Kroningsfeesten en de Zingende Maagden, voor wie hij 'Het loflied der engelen' componeerde. Daarnaast schreef hij talrijke gedichten en toneelstukken in het Tongers en leidde hij toneelverenigingen in Neerpelt en Hamont. Edmond Jaminé overleed op 22 april 1932 aan een hartkwaal.
BronnenGeneanet

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamMoelingen
GemeenteVoeren
NaamTielt
GemeenteTielt

Naam - gebeurtenis Guido Gezelle

GebeurtenisRuitebrekersrede Tielt
Periode30/09/1885
BeschrijvingGezelle houdt een rede te Tielt, bij de herdenking van L.L. De Bo, waarin hij zich scherp afzet tegen ‘tuimelperten' en 'verwaande ruitebrekerije van machtelooze kinders', meer bepaald de actie van de Vlaamse studenten te Leuven.

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelLeven van Sinte Lutgarda (naar Cantipratanus)
AuteurAerdryck = [Vandeputte, Rykhard]
Datum1885
PlaatsLuik
UitgeverMichel Ceyssens
TitelVita piae Lutgardis [handschrift]
Auteurvan Cantimpré, Thomas
Datum1246-1248

Titelxx/[11/1885], Luik, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, xx/[11/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatumxx/[11/1885]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieJaartal en maand gereconstrueerd op basis van de brieftekst: de brief is geschreven kort na de 2e reactie van P. Fredericq, Brief van 10 November 1885. In: Rond den Heerd: 20 (15 November 1885) 52, p. 397-399, dus kort na 15/11/1885 ; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; plaats gereconstrueerd op basis van de brieftekst.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit
papiersoort: 3 zijden beschreven; zijde 3 in twee richtingen beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7483
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13861
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/42831c988c0209c11eb7f019e059b65283a8451c/manifest
Inhoud
IncipitWij hebben nen heelen hoop veerdig gekregen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.