Johan Winkler begint ons, goddank ook al bij te staan, wi gij 't zult zien op 't hier bijgedaan bladeken van hem.[1] Mr Daniëls zal 't gevraagd werk doen voor Limburg, wie zal 't doen voor de andere gouen?[2]
Ware 't niet goed zoo wij hulp vroegen van Brabanders en Vlamingen? Dat ze hun werk dan in 't Daghet schreven ofwel in hunne bladeren?
Stuur Joh. Winklers werk terug en schrijf er 't een en 't ander achter om hem te bedanken enz.: wi gij 't goed vindt.
Hierbij ook een brief van E. H. Daniëls,[3] die ons de klachten van sommigen overbrieft, dat 't Daghet te Didaktisch drooge is.
Maar ik begrijp niet wat ze dan moeten hebben!
Koob had op zijne poot gespeeld bij E. H. Daniëls voor die felle Korenzange[4] van twee spieren[5] en omdat de Drukker dien beminden Kramers aanbevolen had zonder iets te gebaren. De man meent zeker dat hij heel goed gedaan heeft maar vreesden wij niet dat er onraad zou van komen, wij zeiden in 't Daghet dat die aanbeveling niet van 't Daghet maar van een drukker komt.p2Hierbij ook een briefken van nen schoolmeester. Doet er meê dat gij goedvindt, alsook met den brief van dien student van St Truyden.[6] t Ware goed, van de jonge bazen aan te wakkeren dat gij eenige woorden der uit piekt (Beeringsch) voor de eerst-volgende korenzange.[7] Dan geraken zij voor goed aan 't werk.
Da's alles wat ik vandaag weet.
't Verjaart haast dat gij hier geweest zijt, bij ons.[8] Die twee dagen zijn van de blijdste geweest van mijn jong leven! Waneer zullen wij u eens kunnen ontvangen wi het moet; in volle vrijheid en lijk ons dankbaar hert het ons ingeven zal? Later, als 't God belieft, niet waar, komt gij nog eens over? Dan staat heel Limburg in rep en in roer!







