<Resultaat 1111 van 3122

>

p1
Eerweerde Heer en goede Vriend,

Ik en heb u nog maar half geantwoord.

Uwe dichtjes[1] staan mij geheel wel aan.

Onder de raadsels enz. zijn er zeer kostelijke. Raapt al op dat ge krijgen kunt, hoe meer hoe beter. Ze zouden best ter gelegentheid van ’t een of ‘t ander woord in de woordenzange[2] komen.

Gij moet het schrijven[3] van Danneels[4] zooals ’t gaat en staat in den 1en n°[5] overnemen onder den eenen of den anderen “titre”, b. v. : gelijk in Loquela Tegenkomsten, brieven enz., zoo iets op zijn Limburgsch.[6] Grimms Märchen zijn overal in Duitschland te krijgen. Vergelijk wel maar en verandert uwe vertelsels niet.

Kost wat kost zou Demarteaus artikel[7] moeten ievers opgevischt p2worden. Hij heeft in den Bien Public[8] gestaan. Hij zou moeten vertaald worden voor ‘t Daghet.[9]

Kunt gij Grandgagnage krijgen voor 15 fr. Koopt hem voor mij, ik zal u ’t geld opzenden per post.[10] En die twee oude boeken niet te vergeten, hoor![11]

Ik heb beloofd de twee eerste of meer n°s zelf op te maken, de stoffe daartoe gebruikende die gij zendt of die ik anderszins krijgen kan.

Daar ligt een pak limburgsche sermoenen,[12] ongedrukt, ievers te Leiden; een hoogduitsch tijdschrift[13] drukt er een van met hoogduitsche uitleg Een hollandsche hoogleeraar herspreekt daarvan in een hollandsch tijdschrift.[14] Dat zal III zijn van ons Boek- en boekstafwezen[15]

Kunt gij niets bijeenkrijgen over uwen Hasseltschen Mantelius[16] ik heb een van zijn boeken[17] dat ware IV.[18]

t Zijnder nog al!p3Mijn broer bedankt u zeer voor uw brief. Hij begeert ingeschreven te zijn op ’t Daghet.

Daar is ievers een fransch letterlievend genootschap te Hasselt, dat Bulletins uitgeeft, waarin zeer merkweerdige limburgvlaamsche bijdragen staan. Dat behoorde in de handen te geraken. Allengskens zou een Limburgsche bibliotheke tot stand komen.

Ik ben nog altijd blij dat het eerste Limburgsch woord dat in ’t Daghet voor den dag gekomen is het woord darren is,[19] dart dan maar duurt ook!

Al waar een hoekske of een kantje Limburgsch aan is vat maar aan. Hoe meer hulpe gij buiten ’t Seminarie krijgt hoe beter. Doet alles om geen vijanden te kweeken.

Weet gij van geen oude Limburgsche doodprentjes? Hoe heet men ze? Vindt gij ievers een oud, drukt het af; dat neemt plaatse en dat p4is aangenaam aan de familie die den name draagt.

’t Daghet, ingezien zijne grootte, moet eer een Limburgsch Rond den Heerd zijn als een Limburgsch Loquela of beter alle twee versmolten.

Bestaat er iets gezet, zend mij de kladprente hoe eer hoe liever.

Nu hebbe u God in zijn gunsten! (Wat gaat gij zetten voor leze of kenspreuke[20] zie Loquela tua manifestum te facit.)[21]

ulieden toegenegen in Christo
Guido G.

P.S. Al dat gij zendt voor ’t Daghet moet op éénen kant alleen van ‘t papier geschreven zijn. Dan kan men met de scheer werken waar ’t past.

Hr Gillisen heeft eene macht van woorden liggen; die ze wil afschrijven mag, dat heeft hij mij gezeid.

Gij zoudt best een aantal papiervierkanten hebben en om niets te vergeten op elk iets aanteekenen b. v.

Gillisen woorden afschrijven.

Noten

[1] ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 3, p. 18: “Limbugsche Dichtveerdigheid: Onder deze hoofding verzamel ik, met de goedwillige hulp der Limburgsche lezers en lezeressen, die zeker niet zal achterblijven, 't geen ik vinden kan van Limburgsche, mondelings overgeleverde en bewaarde volksdichten en deunkens , raadsels en vertelsels , spreuken , zegsels en aardigheden, die wij niet mogen te nevengang laten gaan.”

Zie ook: Verzameling van Limburgse woorden, uitdrukkingen en raadsels. In: Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw 533, map 14,27.

[2] Rubriek met verzameling Limburgse dialectwoorden in ’t Daghet in de Oosten.
[3] In een brief van 21?/10/1884 liet A. Cuppens aan Gezelle weten dat P. Daniëls hun tijdschrift had aangekondigd in ‘De Onafhankelijke der provincie Limburg’ en zijn medewerking had beloofd. Dit krantenartikel verscheen in ’t Daghet in den Oosten, I (1885), 1, p. 6–7, onder de rubriek ‘Uit boeken en bladeren’.
[4] Sic.
[5] Het eerste nummer van ’t Daghet in den Oosten verscheen op 1 februari 1885.
[6] Vanaf het vierde nummer heette deze rubriek ‘Uit boeken, brieven en bladeren’ Zie: ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 4, p. 25:: “Alle mededeelingen, ware 't zelfs maar van één woord, worden met dankende hand aanveerd.”
[7] J. Demarteau, Le flamand dans l'ancienne principauté de Liège. Le wallon, son histoire et sa littérature: Causeries liégeoises, extraits de La Gazette de Liège. Liège: Demarteau, 1889, p. 1-29. In deze krantenartikelen houdt Demarteau een pleidooi voor het Vlaams als volwaardige taal en dito cultuur.
[8] De Franstalige krant Le Bien Public werd op 1 oktober 1853 gesticht door de Belgische industrieel, Joseph de Hemptinne (1822-1909), als opvolger van de noodlijdende krant ‘Le Conservateur’. Tot 1940 verscheen het blad dagelijks in Gent. De krant positioneerde zich nadrukkelijk tegen het liberalisme en het antiklerikalisme van de Belgische regeringen na 1857. Als pleitbezorger van een herstel van de harmonie tussen kerk en staat groeide Le Bien Public uit tot een belangrijke spreekbuis van het ultramontanisme.
[9] Gezelle vermeldde al in zijn brief van 09/1884 aan A. Cuppens dat hij graag een vertaling van Demarteau in ’t Daghet in den Oosten zou zien.
[10] Het boek is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge, nr. GGB 0808-1.
[11] Gezelle schreef in zijn brief van november 1884: “Die twee boeken Apothekers enz. zouden mij hoogst welkom zijn”.
[12] De Limburgse sermoenen, 48 in totaal, vormen het oudste geestelijke proza in het Middelnederlands. Het is bijzonder omdat in de 13de eeuw het Latijn de gebruikelijke taal was om over religieuze kwesties te schrijven. De anonieme samensteller nam voor 24 van deze preken zijn toevlucht tot een vertaling van Middelhoogduitse preken uit het Sankt Georgener Predigten-corpus. Het handschrift van de Limburgse sermoenen bevindt zich tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
[13] J. Zacher, Mittelniederländisches Osterspiel und Mittelniederländisches Predigten I, XXI’. In: Zeitschrift für deutsches Alterthum: 2 (1842), Leipzig: Weidmannsche Buchhandung, p. 302-357.
[14] Dr. P.J. Cosijn, De grammatische vormen der Limburgsche Sermoenen. In: De taal en Letterbode: 5 (1874), p. 169-185.
[15] ‘De Limburgsche sermoenen’ zijn niet weerhouden in ’t Daghet in den Oosten.
[16] A. Cuppens, Limburg's geleerden. Joh. Mantelius. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw 533, map 14,5.
[17] In de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge zijn geen boeken meer aanwezig van Mantelius.
Polydoor Daniels publiceerde in ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 7-8, p. 60-62 wel ‘Drie dichtjes van Mantelius’ met een verwijzing naar diens Hasseletum waarin Mantelius op p. 116-117 een overzicht geeft van zijn eigen publicaties.
[18] IV in de rubriek Boek- en boekstafwezen.
[19] Het woord ‘darren’ werd in de omzendbrief gebruikt om inschrijvers aan te trekken voor ’t Daghet in den Oosten. Uit een latere brief van december 1884 liet A. Cuppens aan G. Gezelle weten dat het woord niet goed ontvangen werd: “Dat woordeken is zoodanig beklapt en beknibbeld en vies ontvangen geweest dat er in den eersten n° bekans moest van gesproken worden: 't is voor velen de reden geweest dat zij niet wouden inschrijven, voor anderen de reden dat zij ingeschreven hebben. ” Gezelle wijdde uiteindelijk een artikel aan de kwestie in ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 2, p. 13-14: G. Gezelle, Darren.

De omzendbrief werd vermoedelijk begin oktober 1884 verspreid. P. Daniëls kondigde het nieuwe tijdschrift ’t Daghet in den Oosten aan in de rubriek ‘Kunst- en Letternieuws’ van De Onafhankelijke der provincie Limburg van 5 oktober 1884 op pagina 3. Hij ondertekende met ‘P.D.’. Daarin schreef hij: “Toen ik dezer dagen dat papierken ontving dat mij beleefd darren vragen of het mij niet zou believen op het bladje in te teekenen”. Daniels vermeldde dat het de bedoeling is dat het tijdschrift in februari 1885 van start gaat.

[20] R. Van De Putte verzocht G. Gezelle in de brief van xx/12/1884: “Gelief zelve de leuze te zoeken of te maken”. Uiteindelijk staat bovenaan elk nummer van ’t Daghet in den Oosten: ‘Sinte Luutgaarde van Tongeren!’.
[21] Vertaling (Latijn): Jouw sprake maakt je kenbaar. Uit: Mt., 26, 73: Loquela tua manifestum te facit.” Door zijn spraak verraadt Petrus zich als Nazareeër, waardoor hij Jezus niet langer kan loochenen.

Loquela: 1 (juni 1881) 2, p. 13: “Men gelieve te bemerken hóe het vlaamsch den Vlaming uitbrengt en hem manifestum facit.

Loquela: 3 (september 1883) 5, p.39: “De tale is gansch het volk, de tale is gansch de wereld! Loquela... manifestum facit al 't gene dat daarvan verloren, miskend en verdoken lag.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamGezelle, Jozef Aloysius Hyacinthus; Seppen; Tjeppen
Datums° Brugge, 12/02/1840 - ✝ Stene, 18/06/1903
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; kloosterdirecteur; onderpastoor; pastoor
BioJozef, de jongste broer van Guido Gezelle, begon zijn humaniorastudies in het Sint-Lodewijkscollege in Brugge nadat hij daar ook in het schooljaar 1856-1857 het zesde leerjaar van de lagere afdeling had gevolgd. Gedurende de schooljaren 1857-1858 en 1858-1859 was hij er leerling van de zesde (= eerste middelbaar) en vijfde (= tweede middelbaar) latijnse. Met de aanvang van het schooljaar 1859-1860 komt Jozef Gezelle voor als student van de derde (= vierde middelbaar) latijnse aan het kleinseminarie van Roeselare. Bij de overgang van Brugge naar Roeselare zou hij de vierde latijnse overgeslagen hebben, waarschijnlijk omwille van zijn leeftijd. Hij was al negentien jaar toen hij de derde latijnse in Roeselare begon. Joze berichtte zijn broer Guido over de sterk verminderde kwaliteit van het onderwijs en het verval van het kleinseminarie. Hij moet rond Pasen 1861 het kleinseminarie verlaten hebben en naar Brugge teruggekeerd zijn. Op 10 mei 1861 arriveert hij in het Sint-Jozefscollege in Turnhout waar hij zijn poësis verder zet. Uit zijn brieven aan Guido blijkt dat hij zich moeilijk kan aanpassen en hij klaagt veel. Het schooljaar eindigt op 31 juli 1861. Met het schooljaar 1861-1862 volgde Jozef Gezelle de rethorica in het Sint-Jozefscollege in Turnhout. Daarna ging hij naar het Amerikaans College in Leuven in afwachting dat Guido voor hem in Engeland een seminarie zou vinden. Net als zijn broer wilde Jozef immers naar Engeland trekken om er het katholieke geloof te verkondigen. In 1863 reisden de broers tevergeefs naar Engeland om daar een geschikt seminarie te vinden. Op 4 oktober 1863 trad Jozef binnen in het Engels Seminarie te Brugge. Hij kreeg zijn tonsuur op 17 december 1864. Hij werd subdiaken op 8 december 1865 en diaken op 22 mei 1866. Op 22 december 1866 werd hij tot priester gewijd in het grootseminarie van Brugge door bisschop Faict. Hij verliet het Engels seminarie op 17 april 1867. Na een kort intermezzo als onderpastoor in Passendale werd hij in augustus 1867 directeur van Saint-George’s Retreat, een klooster en een instelling voor geesteszieken in Burgess Hill te Southwark. Faict riep hem echter eind december terug. Hij werd vervolgens onderpastoor in Lendelede (1868-1878), Klerken (1878-1887) en Zillebeke (1887-1898). Mede dankzij zijn broer kon hij ten slotte pastoor worden in Stene bij Oostende (hij werd er op 21 september 1898 benoemd), waar hij uiteindelijk overleed op 18 juni 1903.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); familie: broer van Guido Gezelle; correspondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III ; Stewart Foster, The English Seminary Bruges : 1858-1873: a biographical register of priests. Brentwood: Brentwood Diocesan Archives, 2018, p. 28; J. Geldof, Jozef Gezelle en Engeland. In: Biekorf: (1965), p. 416-418
NaamCosijn, Pieter Jacob
Datums° Rijswijk, 29/11/1840 - ✝ Leiden, 16/08/1899
GeslachtMannelijk
Beroepconrector; leraar; hoogleraar; taalkundige; filoloog
VerblijfplaatsNederland
BioPieter Jakob Cosijn begon als 17-jarige in Utrecht rechten te studeren, maar schakelde na een jaar over naar de faculteit letteren, waar hij zich verdiepte in de klassieke talen, filosofie en musicologie. Op 1 april 1863 werd hij conrector van het gymnasium te Winschoten en op 26/06/1865 promoveerde hij tot doctor klassieke filologie, waarna hij leraar werd aan de hogere burgerschool en het gymnasium te Haarlem. Dit bleef hij tot mei 1871. Zijn onderwijsfunctie leidde tussen 1866 en 1870 tot de publicatie van vele schoolboeken voor Nederlandse spelling en syntaxis. In 1866 trouwde hij met Jacoba M. Plügger. In 1870 richtte hij, samen met E. Verwijs, de Taal- en Letterbode op, een tijdschrift voor filologisch onderzoek. In 1871 versterkte hij, op vraag van M. Devries, de redactie van het Woordenboek der Nederlandse Taal. Op grond van zijn studies van Oudgermaanse talen, o.a. de Wachtendonckse Psalmen (1873) werd hij in 1877 tot hoogleraar Oudgermanistiek te Amsterdam benoemd, en kort nadien te Leiden, dat hij verkoos boven Amsterdam. Deze functie te Leiden, die hij zou bekleden tot zijn dood in 1899, betekende het einde van zijn redacteurschap bij het WNT. In 1881 nam hij het initiatief tot de oprichting van het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde dat tot vandaag toonaangevend is in de neerlandistiek. Met zijn Duitstalige publicaties over het Westsaksisch : een beknopte grammatica (1881) en een tweedelige grammatica (1883-1888) vestigde hij zijn naam als taalgeleerde in het buitenland. Ook zijn Aantekeningen op den Beowulf (1892) had grote invloed. Als taalgeleerde was hij zeer productief in de Nederlandse lexicografie, de historische taalkunde en de filologische tekstkritiek.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamGilissen, Franciscus
Datums° Maaseik, 10/09/1841 - ✝ Spa, 09/03/1915
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; aalmoezenier
BioFranciscus Gilissen werd geboren in Maaseik op 10 september 1841 en werd op 15 juni 1867 tot priester gewijd in het bisdom Luik. Hij was onder meer actief als aalmoezenier in de gevangenis van Luik. Hij bleef als priester verbonden aan het bisdom tot aan zijn overlijden op 9 maart 1915 in Spa.
Links[odis]
NaamDemarteau, Joseph; Demarteau, Marie Joseph Félix
Datums° Luik, 21/11/1842 - ✝ Luik, 24/04/1910
GeslachtMannelijk
Beroepuitgever; redacteur; auteur
BioJoseph Demarteau werd geboren in Luik op 21 november 1842 als oudste zoon van Joseph Demarteau (1810-1863) en Marie-Félicité Lochtmans (1813-1863). Zijn vader was de oprichter van "La Gazette de Liège" (1840), een invloedrijk katholiek dagblad. In 1863 nam Joseph de leiding over. Later zouden ook zijn zoon en kleinzoon de hoofdredactie waarnemen. Naast zijn journalistieke werkzaamheden ontplooide Demarteau een brede intellectuele activiteit, met bijzondere aandacht voor de geschiedenis, archeologie en kunst van Luik en het voormalige prinsbisdom. Hij was actief lid van de Société d’art et d’histoire du diocèse de Liège en van het Institut archéologique liégeois. Demarteau publiceerde verschillende studies waarin historische, kunsthistorische en filologische thema’s centraal stonden. In "A travers l’Exposition de l’art ancien au pays de Liège" (1881) gaf hij een overzicht van het artistieke patrimonium in het kader van een tentoonstelling gewijd aan oude kunst. Met "Le flamand dans l’ancienne principauté de Liège: le wallon, son histoire et sa littérature" (1889), oorspronkelijk verschenen als een reeks artikelen in "La Gazette de Liège", leverde hij een bijdrage aan het 19de-eeuwse debat over taal, identiteit en historische continuïteit in de Maasstreek. Daarnaast publiceerde hij hagiografische studies over Maaslandse heiligen, waaronder "Vie la plus ancienne de saint Lambert" (1890). Demarteau was eveneens verbonden aan de familiale drukkerij, de Imprimerie & Lithographie Demarteau die in de tweede helft van de 19de eeuw een belangrijke rol vervulde in de verspreiding van publicaties binnen de katholiek-sociale beweging in België. Joseph Demarteau overleed te Luik op 24 april 1910.
Links[odis]
BronnenGeneanet; https://www.ialg.be/ebibliotheque/bial/bial041.pdf
NaamMantelius, Joannes
Datums° Hasselt, 23/09/1599 - ✝ Hasselt, 23/02/1676
GeslachtMannelijk
Beroeppredikant; onderprior; prior; vicaris; visitator; geschiedschrijver
BioJoannes Mantelius werd geboren op 23 september 1599 te Hasselt als zoon van George en Maria Hermans. Hij genoot zijn opleiding bij de jezuïeten van Luik en legde in 1618 de gelofte af in het augustijnenklooster van zijn geboortestad. Hij onderwees de schone letteren en de retorica en was een gewaardeerd predikant. Binnen de augustijnenorde vervulde Mantelius diverse belangrijke functies: onderprior te Brussel (1627), prior te Antwerpen (1630), prior te Ieper en Hasselt (ca. 1637), vicaris van Luik en visitator (1640) van zijn provincie, die toen de Nederlanden en een deel van Duitsland omvatte , en ten slotte afgevaardigde in Rome voor het algemeen kapittel van zijn orde. Daarna keerde hij terug naar Hasselt, waar hij zich toelegde op geschiedschrijving. In zijn Historia Lossensis beschrijft hij de geschiedenis van het Land van Loon vanaf de inlijving bij het prinsbisdom Luik in 1366 tot in zijn eigen tijd. Zijn werk Hasseletum (1663) behandelt de geschiedenis van Hasselt, met aandacht voor stadsprivileges, kerken, kloosters, kapellen en vooraanstaande inwoners. Mantelius overleed op 23 februari 1676 te Hasselt en werd begraven in augustijnenkerk.
Links[wikipedia]
BronnenA.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 12. Haarlem: J. J. van Brederode, 1869, p. 157; https://www.flandrica.be/items/show/538/ ; https://hasel.be/mantelius-joannes-1599-1676

Naam - plaats

NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamLeiden

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden
NaamSociété chorale et littéraire des Mélophiles
BeschrijvingDe Société chorale et littéraire des Mélophiles werd in 1858 opgericht in Hasselt als koorvereniging om het koorzingen te bevorderen. Al snel breidde de vereniging haar activiteiten uit met literaire en later ook wetenschappelijke bijeenkomsten, waar lezingen werden gegeven over uiteenlopende onderwerpen zoals landbouwwetenschap, kosmologie, elektriciteit, hygiëne, geologie, geschiedenis en archeologie. Vanaf 1864 publiceerde ’het letterlievende genootschap’ een eigen bulletin: Société chorale et littéraire des Mélophiles de Hasselt, Bulletin de la section littéraire (Hasselt, 1864–1940).
Datering1858-1940 (?)

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelonbekend
Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelDictionnaire étymologique de la langue wallonne
AuteurGrandgagnage, Charles
Datum1845
PlaatsLiège
UitgeverOudart
TitelLe Bien Public (periodiek)
AuteurVerspeyen, Guillaume (redacteur)
Datum1853-[1940]
PlaatsGent
Uitgeverde Hemptinne, Joseph
Links[odis], [wikipedia]
TitelDe Taal- en letterbode (periodiek)
Datum1870-1875
PlaatsHaarlem
UitgeverBohn
TitelKinder- und Hausmärchen
AuteurGrimm, Jacob en Wilhelm
Datum1812
PlaatsBerlijn
UitgeverGeorg Andreas Reime
TitelDe onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland (periodiek)
Datum1850-1914
PlaatsHasselt
UitgeverP.F. Milis; H.J. Ceysens
TitelZeitschrift für deutsches Alterthum
Datum1841-1875
PlaatsStuttgart
UitgeverS. Hirzel Verlag
TitelSociété chorale et littéraire des Mélophiles de Hasselt, Bulletin de la section littéraire
Datum1864-1940
PlaatsHasselt
Uitgeverimp. et lib. W. Klock
TitelLimburgse sermoenen [handschrift]
Datumca. 1300–1325

Titelxx/[11-12/1884], Kortrijk, Guido Gezelle aan [August Cuppens]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research)
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research), Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), xx/[11-12/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Cuppens, August]
Verzendingsdatumxx/[11-12/1884]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatering gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie en brieftekst: de brief is geschreven eind november, begin december 1884 ; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.189-190 (155a)
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 209 mm x 136 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven; zijde 4 horizontaal en verticaal beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan Aug. Cuppens ; idem rechts: [November 1884 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; idem linksboven: voorbereiding (potlood, schuin, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8586
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.16880
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/12a2feaafac04429d174adaff7d520d7c87e8da9/manifest
Inhoud
IncipitIk en heb u nog maar half geant
Samenvatting opstart van 't Daghet in den Oosten
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.