<Resultaat 1112 van 3122

>

p1

…

niet te sterk Limburgsch kleuren, in ’t eerste. Wie = gelijk en mag maar allengskens te passe komen; en waar ’t elk noodzakelijk verstaan moet.

Voor schrijventeren enz. heb ik het aldernaast liggende algemeen nederlandsch schrijvender/wijze gezet, om te beginnen. De t in schijventeren is de limburgeigene uitsprake van d in zekere omstandigheden. Het ware woord is schrijvenderen; die schrijvender = scribentes,[1] schrijvenderen = scribentium (more).[2] Gij zegt immers ook ter is voor der is = daar is?

Wie whij &c. schreef Maerlant wi, en om misverstaan tusschen wie quis[3] en wi quomodo[4] te ontgaan zou ik wi schrijven.

Lange uitleg over evel[5] en komt hier niet te passe. In de woordenzangen[6] wel.

't Daghet en moet voorenop geen systemata van spellen of woordenkeus geven of verdedigen. Wat het wilt moet alleen blijken uit p2wat het doet. Doen en laten zeggen.

Hoe meer meêwerkers hoe beter. Kunt gij Tuerlinckx daar niet bij krijgen?[7]

Ge zult ondervinden dat maandelijks zoo veel bladzijden heel veel is. Dat de drukker maar heel loskens drukke en geen al te kleene boekstaven.

Gedrukte stukken moeten heel naukeurig afgeschreven en afgedrukt zijn. In Corona Catholica[8] hebt gij vier scheiteekens gezet die in ’t gedrukte niet en staan.

Ik ga Koobs werk[9] naar Winkler zenden om zijn gedacht erover te hebben.

Die twee boeken Apothekers enz. zouden mij hoogst welkom zijn.p3Nog iets om in ’t Daghet: onder de wederkeerende hoofdinge van

Ex Libris:[10]

Met der hand geschreven verzen, aanteekeningen, aardigheden drukken, die men altemets op oude boeken tegenkomt. B.v. in uw bibliotheke seminarie moeten der zijn. Ik heb er een goeden voorraad, en dat zou iets nieuws zijn. Tot een voorbeeld: In een schoonen boek Den lof der suyverheyd[11] etc. (geheel den titel) Antwerpen 1626 vinde ik geschreven:

Dijt boeck Hooert toe immeken corneles dochter van medenblick den 12 September heb ick indich ians gelanck 10 ducke tonne. (1)[12]

(1) geleend of gegeven 10 ducatons? [13]

Noten

[1] Vertaling (Latijn): de schrijvenden, zij die schrijven
[2] Vertaling (Latijn): op de wijze van schrijvenden, schrijvenderwijze
[3] Vertaling (Latijn): wie
[4] Vertaling (Latijn): hoe, op welke wijze
[5] De uitleg van het woord verschijnt in de bespreking van Corona Catholica in de rubriek ‘Ons Boek- en Boekstafwezen’, in ’t Daghet in den Oosten I (1885) 3, p. 22: “Dit evel en ever is een bekend woord in Klein-Vrankrijk of het Limburgsch Frankenrijk. Ever of evel luidt in het Hoogduitsch aber. (…) De betekenis van evel (…) is: echter, maar, nochtans.”
[6] Rubriek in ’t Daghet in den Oosten met woordverklaring van Limburgse woorden.
[7] In de brief van 25?/12/1884 van A. Cuppens aan G. Gezelle staat: “Rijkaart heeft aan Tuerlinckx geschreven voor hulp en bijstand: nog geen veds van hem terugvernomen! Als gij hem zelf eens schreeft?”
[8] Dit boek is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge. (GGB 1022). Het bevat een gedicht (vertaling) van Guido Gezelle.

In: ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 3, p. 21 -22: “Dees corona bevat een engelsche begroeting van Paus Leo XIII, negen - en - veertig keeren herhaald en vertaald onder andere in 't hebreeuwsch en in 't hollandsch, door S. Van Straelen, in 't sineesch, in 't araabsch, in 't zûlûsch, in 't walsch, in 't vlaamsch en eindelik ook... in ’t Maeseycksch door Fr. Gilissen.”

[9] L.W.J. Lenaerts, Over 't Limburgsch. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare bibliotheek Brugge, nr. Aanw. map 14, 17.
Het artikel verscheen niet in ’t Daghet in den Oosten, vermoedelijk omwille van de kwaliteit. Gezelle stuurde het artikel op naar Johan Winkler voor advies. In zijn brief van 24/11/1884 stuurde Winkler het artikel terug naar Gezelle met volgende kritiek: “Hier bij het opstel van uwen jongen limburgschen vriend terug Ik heb het wel geheel en naukeurig doorgelezen, maar heb geene vrijheid gevonden om er iet in te veranderen. Het geheel toch is zóó eigenaardig, zóó bijzonder, dat het mij jammerde om het te verknoeien. (…) Het geschiedkundig gedeelte overtreft in weerde verre weg het taalkundige deel (…) . Het taalkundig gedeelte is zeer zwak, eigenlik te zwak.”
[10] De rubriek komt niet voor in ’t Daghet in den Oosten.
[11] Valentinus Bisschop S.J. schrijft dit boek ter aansporing van vrouwen om de maagdelijke staat te verkiezen: “Het is waer, naer geslachte zijt ghy minder dan den man, u lichaem is krancker dan het sijne, meer teerder en swacker, ende on-edelder, maer nochtans naer de ziele en isser tusschen u en hem gheen onderscheydt: ghy zijt ghelijck hy is: in het minste en moet ghy hem niet wijcken.”
[12] Dit boek is aanwezig met inscriptie in de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 060).
[13] Ducaton of dukaton: deze zilveren munt werd in 1618 ingevoerd in de Spaanse Nederlanden.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamTuerlinckx, Jan Ferdinand; Tuerlinckx, Joannes Ferdinandus
Datums° Glabbeek-Zuurbeemden, 23/11/1833 - ✝ Aarschot, 25/04/1900
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; directeur; inspecteur; dialectoloog
BioJan Ferdinand Tuerlinckx werd geboren op 23 november 1833 in Glabbeek-Zuurbeemden, nabij Tienen, als zoon van landbouwers Petrus Ludovicus Tuerlinckx (1808-1879) en Maria Romain (1799-1874). Hij huwde op 8 januari 1863 in Kersbeek Miskom met Florentina Benigna Bullens (1832-1891). Er waren verschillende kinderen. Tuerlinckx was actief als onderwijzer in verschillende gemeenten, waaronder Kersbeek-Miskom, Glabbeek-Zuurbeemden en Neerlinter. Vanaf 1879 stond hij aan het hoofd van de vrije jongensschool in Tienen. In 1890 werd hij kantonaal schoolopziener voor het lager onderwijs in Aarschot. Hij publiceerde onder meer een bijdrage over het Hagelands taaleigen (1882) en een bekroond werk over het Hagelands dialect (1883), waarmee hij erkenning kreeg van de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenAgatha; Geneanet
Naam(van) Maerlant, Jacob; Vader Maerlant
Datums° Brugse Vrije, ca. 1230-1235 - ✝ Damme, ca. 1288-1300
GeslachtMannelijk
Beroepdichter
BioJacob van Maerlant was een Vlaams dichter uit de 13de eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs; vandaar zijn erenaam ‘vader der Dietsche dichteren algader’. Hij werd geboren in het Brugse Vrije rond 1230-1235 en genoot zijn opleiding waarschijnlijk aan de kapittelschool van St.-Donaas in Brugge of in de cisterciënzerkloosters van Ter Doest en Ter Duinen. Ca. 1260 werd hij koster in Maerlant op Voorne (Zeeland). Hij overleed in Damme ca. 1288-1300. Zijn belangrijkste werken zijn, naast de Strofische Gedichten, adaptaties uit historiserende en encyclopedische werken uit het Frans en het Latijn, o.m. Alexanders Geesten (ca. 1260), Der Naturen Bloeme (ca. 1270), Rijmbijbel (1271) en Spiegel Historiael (1285-1288).
Links[wikipedia], [dbnl]
BronnenTer Laan, MEW
NaamWinkler, Johan (junior)
Datums° Haarlem, 06/10/1898 - ✝ Deventer, 27/09/1986
GeslachtMannelijk
Beroepjournalist
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Winkler (junior) werd geboren in Haarlem op 6 oktober 1898 als zoon van Andries Winkler en Alida van Blaaderen. Hij was de kleinzoon van Johan Winkler en huwde met Klara Hedwig Charlotte Richter en later, na echtscheiding, met de jeugdschrijfster Johanna Christina Vonk. Johan Winkler studeerde eerst theologie in Leiden en Amsterdam en later Germaanse Letteren in Amsterdam. Hij was ondertussen secretaris geworden van P.J. Troelstra (SDAP). Vanaf 1927 werd hij achtereenvolgens benoemd tot chef-redacteur van het Rotterdamse "Voorwaarts", en tot directeur van de "Arbeiderspers", "Vrij Nederland", "Het Parool" en de "Kluwerpers". Naast zijn journalistieke bedrijvigheid maakte hij ook vele vertalingen (vooral uit het Duits) van literaire (o.a. Rilke en Stefan Zweig), filosofische en historische werken.

Naam - plaats

NaamAntwerpen
GemeenteAntwerpen
NaamMedemblik

Naam - instituut/vereniging

NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden

Titel - ander werk

Titelonbekend
Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelCorona catholica Ad Petri Successoris Pedes Oblata: De Summi Pontificis Leonis XIII Assumptione Epigramma Carolo Kent auctore in quinquaginta linguis
AuteurKent, Charles
Datum1880
PlaatsLondini
UitgeverKegan
TitelDen lof der suyverheydt
AuteurValentinus (Bisschop)
Datum1626
PlaatsAntwerpen
UitgeverVerdussen

Titelxx/[11/1884], Kortrijk, [Guido Gezelle] aan [August Cuppens e.a.]
EditeurMiet Hubrechts
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts, Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), xx/[11/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Gezelle, Guido]
OntvangerCuppens, August
Verzendingsdatumxx/[11/1884]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieJaartal en adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie; maand gereconstrueerd op basis van de brieftekst: over artikel van Lenaerts voor 't Daghet gestuurd ter nazicht aan J. Winkler: reactie van Winkler op 24/11/1884 (brief geschreven net voor 24/11/1884) ; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; verwijzing naar eigendomskenmerk van GGB 60.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.191 (156b)
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 209 mm x 136 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 3 zijden beschreven; zijde 4 verticaal beschreven, inkt
Staat fragment: vorig vel ontbreekt
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan de Limburgsche Gilde ; idem rechts: [December 1886 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; op zijde 3 in de linkermarge: voorbereiding (potlood, schuin, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8596
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17004
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/919e0aa47a41b495139d2c9f7f7fedc1d4a54edb/manifest
Inhoud
Incipitniet te sterk Limburgsch kleuren, in 't eerste.
Samenvatting over 't Daghet in den Oosten o.m. op te richten rubriek 'Ex Libris' met voorbeeld van het werk uit Gezelles handbibliotheek GGB 60: Den lof der suyverheydt / door P. Valentinus Bisschop. - Antwerpen: Verdussen, 1626 (https://anet.be/desktop/brugge/nl/opacbrugge/nrco=c:brugge_5.14388)
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.