<Resultaat 1195 van 3122

>

p1
Achtbare Heeren en Vrienden,[1]

k heb een woord geschreven naar Lotermans.[2]

t Passielieken zal voor ’t Boek- en boekstafwezen een itemke zijn; hoe meer zulke hoe beter. ’t Ware weerd op zijn eigen uitgegeven met de zangwijze erbij.[3]

Willems onderneminge zal wel in ’t water vallen![4] Wat wil hij gaan aanvangen eer men overeenkomt hoe men al de verschillige klanken etc. verbeelden zal? Grootere geleerden als Willems zijn daar achter op zoek, maar tot nu zonder goeden uitval. Hij heeft ook naar een Prof uit het Kortrijksch Collegie geschreven.[5] Het Limburgsch, volgens Willems, is het dietsch, dat Maerlant wilde schrijven. Men heeft Maerlant nu al ketter gemaakt, dan liberaal, vervolgens een Hollander, van bij Staveren; eindelijk zal hij eindigen met een Limburger te zijn![6]

Ik heb Claerhoudt verzocht hetgene gij begeert.[7]

Ik heb het Vlaamsch Huis[8] te Luyk gezien, en ’t verheugt mij te vernemen dat de Vlamingen te Luyk hunnen name p2getrouw schijnen. En, ik ook zie 100 keers liever eene arme dorpsprocessie, en Onze lieve Heer ook wel, zeker![9]

Johan Winkler’s bijdrage[10] alleen weegt op tegen al ’t gepreutel, van die niet anders en kunnen noch en zullen als preutelen.

Gij hebt al hulp genoeg en plaats te kort. Daniels heeft het rechtwel vast; doet zoo hij zegt. Zijn voordracht zou meer deugd doen in R. d. Heerd.[11]

De koorenzange van twee spieren[12] is ook al wel en goed. ’t Daghet overtreft al mijn verwachten. Hoe min studenten opstelletjes en schoolwerk hoe beter. Laat het Volk spreken. Daneels[13] had mij geschreven dat hij dat klokopschrift[14] ook naar u zond, anders had ik het meegeschikt.

Ik ga zoo haast mogelijk aan’t bereiden van ’t een en ’t ander van de ingezonden stukken; vooruit en vooral moet Johan Winkler komen, onder: Uit boeken, brieven en bladeren.[15]

Wat zonde en jammer dat ik de antwoorde op dien ouden schoolmeester[16] niet eens hebbe mogen nazien en verbeteren![17] p.3Ze is zoo deerlijk mishandeld door den drukker. Ik bender oprecht beschaamd over; en, hadde ik meer als eenen n° 4, ik zond hem u met al den misdruk verbeterd. En zoo dom misdrukt! B. v. waar ik gezet hadde z. Grimm staat er 3 Grimm![18] Wat nu van die drie Grimms gaan maken? Dat spijt mij toch zoo!

Mijn duik- of plukalmanak gaat onder druk, in ’t kort zal hij gereed zijn.

Tinel is bezig ‘t een en ’t ander mijner liedtjes op noten te zetten; men zal Kleengedichtjes, op zangwijzen van Tinel, zingen te Mechelen, op de feest van ’t Davidsfonds.[19]

Weet gij niet waar heel mijn pak brieven van Winkler zou gevaren zijn? Heb ik hem naar Limburg niet meegegeven aan iemand? Nu, wederom gegroet en Godevolen[20] met hertelijken proficiat van

ulieden toegenegen in Christo
Guido Gezelle

Noten

[1] Dit schrijven van Guido Gezelle is een antwoord op de brief van 04/06/1885 van Cuppens en An.
[2] Op vraag van Cuppens in zijn vorige brief aan G. Gezelle van 04/06/1885 om oude boeken en handschriften te vragen:” Een tweespandig blad uit eenen ouden met de hand geschreven Legenden-boek die nog in 't bezit moet zijn van Mijnheer Loterman, apotheker tot Elst (Oost-Vlanderen). Zijn E. H. Zoon, die verleên jaar nog bij ons in 't Seminarie was maar die nu kapelaan is heeft dat blad eens meêgebracht om 't eene van ons te laten zien. Hij zei dat zij te zijnent nog veel van die oude boeken hadden waar dat hij er al verschilligen van opgestookt had omdat ze niets met die in bullen kosten aanvangen. Als gij eens schrijft naar dien Heervader krijgt gij misschien die boeken wel, want hij is nog al genegen voor 't vlaamsch, zegde zijn.”
[3] Cuppens stuurde dit ’passielieken’ op met zijn vorige brief aan G. Gezelle van 04/06/1885: ”'t Limburgsch? oud passielieken dat ze in veel huisgezinnen der Kempen nog zingen in den vasten en bezonder in de goê week. Wij kunnen er de wijs ook van bezorgen als ze kan nuttig zijn.”
[4] Pieter Willems stond mee aan de wieg van de wetenschappelijke beoefening van de neerlandistiek in Vlaanderen. Met het oog op een vergelijkende klank- en vormleer verzamelde hij dialectwoorden uit uiteenlopende regio’s. In 1885 ging hij van start met het verspreiden van vragenlijsten waarmee hij op systematische en uniforme wijze dialectisch taalmateriaal verzamelde.

Cuppens werd in juni 1885 gevraagd om aan deze enquête deel te nemen voor het dialect van zijn geboortestad Beringen. (zie vorige brief vann Cuppens aan G. Gezelle). Zijn enquête werd verzonden op 8? augustus 1885 en door Willems ingevuld ontvangen op 21 augustus 1886. Voor Limburg werkten ook anderen mee. Voor Hasselt werd de enquête, die door Erkens was begonnen, verder afgewerkt door Leen (verzonden op 8 augustus 1885, ontvangen op 15 juli 1886).

Daarmee verschilde Willems’ werkwijze van die van Guido Gezelle, die veeleer op een spontane en minder systematische manier taalmateriaal sprokkelde. Gezelle reageert hier dan ook heftig op. Later zou hij zelf namen van contactpersonen uit Frans-Vlaanderen doorgeven om mee te werken aan het onderzoek van Willems.

(Meer over P. Willems en zijn taalonderzoek: Themanummer Honderd jaar Enquête Willems. Taal- en Tongval: 41 (1989)).

[5] Jules Vanden Bulcke was betrokken bij het dialectonderzoek Pieter Willems. Net zoals Cuppens kreeg hij rond mei-juni een brief van Willems met vraag tot medewerking. In augustus 1885, toen hij nog leraar was aan het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke, kreeg hij een enquête van Willems toegestuurd. Hij vulde die in voor zijn geboortedorp Nieuwkerke, maar bezorgde de ingevulde enquête pas veel later nl. in september 1889, toen was hij al onderpastoor was te Bulskamp.
[6] Gezelles reactie op de vorige brief van Cuppens van 04/06/1885, waarin hij Gezelle schreef dat ze een brief van Pieter Willems hadden gekregen met de vraag om mee te werken aan zijn taalproject.
[7] Hulp bij ’t Daghet in den Oosten zie brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 04/06/1885: ”Gij moest de E. H. Claerhoudt eens vragen of hij ons ook geen handeken helpen wilt: hij heeft dat onder 't groot verlof beloofd aan Arthur.”
[8] Een ‘gesticht’ in Vlaamse stijl opgericht met de fondsen van het Werk der Vlamingen in Luik. Cuppens schreef hierover in zijn vorige brief.
[9] Cuppens verwijst in zijn vorige brief aan Gezelle naar de ’Grooten Ommegang‘ van donderdag 4 juni en schrijft: ”ik zie maar ik zie nog honderd keeren liever de processie van Beeringen waar alleman in gaat, terwijl dat ze hier langst de processie staan te zien of 't ware voor de aardigheid en zij meenen dat zij al veel doen als ze hunnen hoed eens half afgedaan hebben voor onzen Lieven Heer!”
[10] J. Winkler, Uit boeken brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 5, p. 39-40: ” Johan Winkler, de wakkere en dappere friesch, heeft ons de eer gedaan dat hij ons tijdschrifteken ook gelezen heeft. Ja, meer! Hij heeft ons, van zijne hand, een schrijven toegeschikt over dietsche en waelsche plaatsnamen.”
[11] Polydoor Daniëls sprak over ‘de zending van de vlaamschen dichter’ in de Parijsche Halle te Brugge op het feest van het Davidsfonds ter ere van dr. Karel Degheldere op 25 januari 1885. Zie: Rond den Heerd: 20 (1 februari 1885) 10 p.69-71.
[12] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 382: ”spier, sjpier, zn.: sprietje, stengel; mager kind.”
[13] Sic.
[14] Daniëls schreef in zijn brief van 04/05/1885 aan Gezelle: “Ik zend u twee klokinschriften voor ‘t Daghet; M. Cuppens heeft mij gezegd dat gij fel scheutig waart op zulke dingen en deze twee hebben hem en mij ook goed bevallen”.

Zie ook: P. Daniëls, Ons Boek- En Boekstafwezen – Klokinschriften te Zonhoven. In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885), p. 38-39.

[15] J. Winkler, Uit boeken brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 5, p. 39-40: ” Johan Winkler, de wakkere en dappere friesch, heeft ons de eer gedaan dat hij ons tijdschrifteken ook gelezen heeft. Ja, meer! Hij heeft ons, van zijne hand, een schrijven toegeschikt over dietsche en waelsche plaatsnamen.”
[16] In zijn brief van 04/05/1885 aan G. Gezelle zal Cuppens noteren: “Die ouden schoolmeester en kennen wij niet maar wij zullen hem toch wel vast krijgen; docht u niet dat zijn geschrift op Mr Teurlinckx 't zijne trok?” Cuppens vermoedt dus dat ‘de oude schoolmeester’ een schuilnaam is voor J. F. Tuerlinckx.
Maar uit de brief van L. W. J. Lenaerts aan G. Gezelle van december 1887 ontdekken we zijn echte identiteit: Gij weet zeker wel, in 't doorgaan gezeid, dat de tweede Groot-vicaris Mgr. Boogaerts ons ondersteunt en “die oude schoolmeester” is waar gij in den 1sten N° (over Sprokkelmaand) aan geantwoord hebt.”

Het artikel waarop Gezelle reageerde: Die Oude Schoolmeester (Constantinus Josephus Bogaerts), Uit boeken, brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 25-28.

[17] Die Oude Schoolmeester, Uit boeken, brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 25-28.
[18] In ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 28 staat een dubbele fout: “3. De Bo” en “3. L. Diefenbach” Er staat wel degelijk Jacob Grimm en niet 3 Grimm. Gezelle lijkt misleid te zijn door zijn geheugen.
[19] Op 31 augustus en 1 september 1885 vond te Mechelen de derde algemene feestvergadering van het Davidsfonds plaats. Op 31 augustus werd ook een “toonkundig feest” gehouden, door Edgar Tinel georganiseerd en uitsluitend met werk van zijn hand. Daar werden onder meer Maria-liederen ten gehore gebracht, een tussen 29 mei en 2 juni 1885 door Tinel gecomponeerde a cappella koorcyclus op teksten van Guido Gezelle. Het werk bestaat uit zes Mariatitels zoals ’Beevaertlied’ en ’Viva Maria‘. Tinel componeerde ze aan de voeten van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes waar hij omwille van zijn gezondheid op bedevaart was (zie: Jaarboek van het Davidsfonds voor 1886, Leuven: Karel Peeters, 1886, p. 67). Dat resulteerde in 1886 in de uitgave van 6 Marialiederen. De vertaling van Gezelles teksten was van de hand van Elisabeth Alberdingk Thijm, de dochter van Jozef Alberdingk Thijm.

Voor zijn vertrek naar Lourdes had Tinel ook al in 1885 Geestelijke Gezangen op teksten van Gezelle gecomponeerd. Later componeerde hij in 1885 nog Adventliederen ook op teksten van Gezelle, gepubliceerd in 1887. Tinel en Gezelle maakten met elkaar kennis in april 1884.

[20] MNW 1250-1550: "Godevolen (bijvoeglijk naamwoord): aan God en zijne bescherming aanbevolen.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Correspondenten - instituten/verenigingen

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamClaerhout, Juliaan
Datums° Wielsbeke, 09/12/1859 - ✝ Kaster, 12 /02/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; bestuurder scholen; pastoor; auteur
BioJuliaan Claerhout, zoon van Constant Claerhout, landbouwer, en Amelia De Volder, werd op 22/12/1883 tot priester gewijd te Brugge. Hij werd leraar aan het college te Tielt (18/09/1884) en aan de normaalschool te Torhout (10/09/1887). Vervolgens was hij onderpastoor te Sint-Denijs (23/09/1889), bestuurder van de scholen te Pittem (24/11/1894) en pastoor te Kaster (17/02/1911). Claerhout werd bekend door zijn archeologische opgravingen in Pittem en Dentergem. Hij schreef o.m. verschillende artikels in het tijdschrift Belfort en was nauw betrokken bij Gezelles tijdschrift Biekorf.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; Biekorf
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamTinel, Edgar
Datums° Sinaai, 27/03/1854 - ✝ Brussel, 28/10/1912
GeslachtMannelijk
Beroepcomponist
BioEdgar Tinel kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die koster-organist was in Sinaai. Aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel kreeg hij les van o.a. Louis Brassin (piano), Alphonse Mailly (orgel) en François-Auguste Gevaert (compositie). Als pianovirtuoos werd hij een internationaal gevierd concertpianist met vertolkingen van Beethoven, Liszt en Mendelssohn, maar vooral Schumann. Daarna legde hij zich meer toe op de compositie. In 1877 kreeg hij de Prix de Rome voor zijn cantate Klokke Roeland op tekst van Maurits Sabbe. Door dit Nederlandstalige werk gingen velen de Franstalige Tinel onterecht als een flamingant aanzien. Wel schreef hij veel muziek op Nederlandse teksten, en was hij een van de eersten die gedichten van Gezelle op muziek zette. Hij schreef vooral vocale muziek. Samen met Jacques-Nicolas Lemmens leidde hij in België de internationale beweging voor authentieke kerkmuziek, waar ook August Reyns en Karel Mestdagh toe behoorden. In 1881 volgde hij Lemmens op als directeur van het Mechels Instituut voor religieuze muziek, het latere Lemmensinstituut. In 1889 werd hij aangesteld als inspecteur voor muziekonderricht, en in 1896 werd hij professor contrapunt en fuga aan het Brusselse conservatorium, waarvan hij vanaf 1908 directeur was. Hij steunde de Brugse componist Joseph Ryelandt tijdens zijn opleiding.
Relatie tot Gezellecorrespondent; componist van Gezelleliederen
Bronnen http://svm.be/content/tinel-edgar
NaamTuerlinckx, Jan Ferdinand; Tuerlinckx, Joannes Ferdinandus
Datums° Glabbeek-Zuurbeemden, 23/11/1833 - ✝ Aarschot, 25/04/1900
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; directeur; inspecteur; dialectoloog
BioJan Ferdinand Tuerlinckx werd geboren op 23 november 1833 in Glabbeek-Zuurbeemden, nabij Tienen, als zoon van landbouwers Petrus Ludovicus Tuerlinckx (1808-1879) en Maria Romain (1799-1874). Hij huwde op 8 januari 1863 in Kersbeek Miskom met Florentina Benigna Bullens (1832-1891). Er waren verschillende kinderen. Tuerlinckx was actief als onderwijzer in verschillende gemeenten, waaronder Kersbeek-Miskom, Glabbeek-Zuurbeemden en Neerlinter. Vanaf 1879 stond hij aan het hoofd van de vrije jongensschool in Tienen. In 1890 werd hij kantonaal schoolopziener voor het lager onderwijs in Aarschot. Hij publiceerde onder meer een bijdrage over het Hagelands taaleigen (1882) en een bekroond werk over het Hagelands dialect (1883), waarmee hij erkenning kreeg van de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenAgatha; Geneanet
NaamWillems, Pieter
Datums° Maastricht, 06/01/1840 - ✝ Sint-Joris-Weert, 23/02/1898
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; classicus; dialectoloog
VerblijfplaatsNederland
BioWillems werd geboren in Maastricht waar hij humaniorastudies deed. Daarna ging hij naar de universiteit in Leuven waar hij in 1861 de graad van doctor in de letteren behaalde. Hij werd er in 1964 hoogleraar in de klassieke filologie en in 1872 secretaris van de universiteit. Willems was sinds 1871 briefwisselend en sinds 1877 werkend lid van de Koninklijke Academie van België in Brussel. In 1885 was hij lid van de Klasse der Letteren van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Amsterdam en in 1886 werd hij lid en eerste voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent. Als pas benoemd hoogleraar was hij in 1866, in opvolging van J.B. David, voorzitter geworden van "Met Tijd en Vlijt". Daarna was hij ook, van 1878 tot aan zijn dood in 1898, voorzitter van het Davidsfonds. Door zijn vele academische en culturele functies was hij een zeer gevraagd gastspreker en gewaardeerd jurylid van staatsprijzen, o.m. die van Conscience in 1870 en V. Loveling in 1894. Als classicus legde hij zich toe op de dialectologie. Hij schreef er verschillende artikelen over en verzamelde een massa dialectmateriaal uit 337 Vlaamse dorpen en steden, dat gedigitaliseerd werd in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
Bronnen https://pieterwillems.eu/leven
NaamGrimm, Jakob
Datums° Hanau (Duitsland), 04/01/1785 - ✝ Berlijn (Duitsland), 20/09/1863
GeslachtMannelijk
Beroeptaal- en letterkundige; bibliothecaris; diplomaat; jurist; hoogleraar
VerblijfplaatsDuitsland; Oostenrijk
BioJacob Grimm is een taal-en letterkundige die zich toelegde op het gebied van lexicografie, vergelijkende taalkunde en mythologie. Hij werkte vaak samen met zijn broer Wilhelm. Ze staan bekend als de gebroeders Grimm. In 1802 studeerde Jacob rechten aan de universiteit van Marburg, maar hij stopte al vrij snel met deze studies. Hij legde zich steeds meer toe op de studie van taal- en letterkunde. In 1808 werd hij bibliothecaris van de privébibliotheek van Jérôme Bonaparte, koning van Westfalen. Hier begon hij samen met zijn broer sprookjes te verzamelen. Van 1813 tot 1815 was Jacob Grimm in de diplomatieke dienst werkzaam. Hij werd bibliothecaris van de bibliotheek van Kassel in 1816, waar zijn broer ook al werkzaam was. Later ging hij aan de slag als hoogleraar in Göttingen en Berlijn. In zijn Deutsche Grammatik (1822) formuleert hij de wetmatigheid die in de historische taalkunde de Germaanse klankverschuiving beschrijft, ook wel Wet van Grimm genoemd. Samen met zijn broer Wilhelm startte hij de samenstelling en uitgave van het Deutsches Wörterbuch op (1852-1960).
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellevaak gebruikte auteur als bron door Gezelle
NaamVanden Bulcke, Jules
Datums° Nieuwkerke, 23/07/1859 - ✝ Kachtem, 27/03/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor; geestelijk bestuurder
BioJules Vanden Bulcke werd op 23 juli 1859 geboren te Nieuwkerke als zoon van Josephus Henricus, landbouwer, en Lucia Hosdez. Op 12 december 1883 werd hij leraar aan het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke, waar hij les bleef geven tot midden november 1886. Op 7 juni 1884 werd hij tot priester gewijd. Op 11 november 1886 werd hij onderpastoor te Bulskamp (Sint-Bertenskerk) en vervolgens, op 21 juni 1893, onderpastoor te Gistel aan de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk. Op 5 juli 1899 werd hij er benoemd tot directeur van de benedictinessenpriorij Sint-Godelieve en op 8 juni 1903 tot directeur van het manhuis-hospitaal (OCMW) van Tielt. Op 16 september 1910 werd hij pastoor van de Sint-Elooiskerk te Ettelgem en ten slotte, op 22 augustus 1913, pastoor van de Sint-Janskerk te Kachtem. Vanden Bulcke overleed te Kachtem op 27 maart 1918. Hij was betrokken bij het dialectonderzoek Pieter Willems. In augustus 1885, toen hij nog leraar was aan het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke, kreeg hij een enquête van Willems toegestuurd. Hij vulde die in voor zijn geboortedorp Nieuwkerke, maar bezorgde de ingevulde enquête pas in september 1889, toen hij onderpastoor was te Bulskamp.
Links[odis]
Naam(van) Maerlant, Jacob; Vader Maerlant
Datums° Brugse Vrije, ca. 1230-1235 - ✝ Damme, ca. 1288-1300
GeslachtMannelijk
Beroepdichter
BioJacob van Maerlant was een Vlaams dichter uit de 13de eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs; vandaar zijn erenaam ‘vader der Dietsche dichteren algader’. Hij werd geboren in het Brugse Vrije rond 1230-1235 en genoot zijn opleiding waarschijnlijk aan de kapittelschool van St.-Donaas in Brugge of in de cisterciënzerkloosters van Ter Doest en Ter Duinen. Ca. 1260 werd hij koster in Maerlant op Voorne (Zeeland). Hij overleed in Damme ca. 1288-1300. Zijn belangrijkste werken zijn, naast de Strofische Gedichten, adaptaties uit historiserende en encyclopedische werken uit het Frans en het Latijn, o.m. Alexanders Geesten (ca. 1260), Der Naturen Bloeme (ca. 1270), Rijmbijbel (1271) en Spiegel Historiael (1285-1288).
Links[wikipedia], [dbnl]
BronnenTer Laan, MEW
NaamWinkler, Johan (junior)
Datums° Haarlem, 06/10/1898 - ✝ Deventer, 27/09/1986
GeslachtMannelijk
Beroepjournalist
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Winkler (junior) werd geboren in Haarlem op 6 oktober 1898 als zoon van Andries Winkler en Alida van Blaaderen. Hij was de kleinzoon van Johan Winkler en huwde met Klara Hedwig Charlotte Richter en later, na echtscheiding, met de jeugdschrijfster Johanna Christina Vonk. Johan Winkler studeerde eerst theologie in Leiden en Amsterdam en later Germaanse Letteren in Amsterdam. Hij was ondertussen secretaris geworden van P.J. Troelstra (SDAP). Vanaf 1927 werd hij achtereenvolgens benoemd tot chef-redacteur van het Rotterdamse "Voorwaarts", en tot directeur van de "Arbeiderspers", "Vrij Nederland", "Het Parool" en de "Kluwerpers". Naast zijn journalistieke bedrijvigheid maakte hij ook vele vertalingen (vooral uit het Duits) van literaire (o.a. Rilke en Stefan Zweig), filosofische en historische werken.
NaamBogaerts, Constantinus Josephus; Die oude schoolmeester
Datums° Paal, 31/01/1812 - ✝ Zonhoven, 17/02/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; diocesaan inspecteur; pastoor; : vicaris-generaal; erekanunnik; erekamerheer van de Paus
BioJosephus Constantinus Bogaerts werd op 31 december 1812 geboren in Paal in een landbouwersgezin. In 1830 begon hij aan zijn schoolloopbaan in theologie en filosofie aan het seminarie van Luik, waarna hij op 16 augustus 1835 tot priester gewijd werd. Tevens was hij enkele jaren actief als leraar aan het atheneum te Leuven (1837) en het kleinseminarie te Rolduc (1841). Zijn tijd in Leuven werd gekenmerkt door culturele en literaire inspanningen, zoals bijvoorbeeld het stichten van het studentengenootschap “Met Tijd en Vlijt” en bijdrages aan het blad “De Middelaer”. In 1842 werd hij directeur van de normaalschool in Sint-Truiden. Het jaar daarop werd hij diocesaan inspecteur voor het lager onderwijs in Limburg en in 1846 werd hij ere-kanunnik. Vervolgens was hij van 1849 tot 1852 leraar dogmatiek aan het grootseminarie in Luik en vanaf 1851 de titularis kanunnik van de Luikse kathedraal. In 1853 werd hij secretaris van het bisdom Luik. Hij moest echter een vijf jaar lange rustperiode nemen ten gevolge van spanning en oververmoeidheid. Hij werd daarna in 1858 pastoor te Guigoven. Nadat hij in 1861 benoemd werd tot vicaris-generaal van het bisdom Luik werd hij verheven tot kamerheer van Paus Pius IX. In 1875, nog geen 63 jaar oud, ging hij voorgoed op rust te Zonhoven waar hij op 17 februari 1891 overleed. Tijdens zijn leven was Bogaerts erelid van Utile Dulci in Sint-Truiden. Hij schreef theologische werken en was redactielid van "De School- en Letterbode" tussen 1844 en 1855. Hij ageerde onder het pseudoniem 'Die oude schoolmeester' op het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten". Guido Gezelle diende hem van een wederwoord.
Links[odis]
Bronnen https://www.paalonline.be/cms55/item/2432-kanunnik-bogaerts
NaamLoterman, Pierre François
Datums° Erwetegem, 02/04/1817 - ✝ Michelbeke, 27/07/1911
GeslachtMannelijk
Beroeponderwijzer
BioPieter Francies Loterman werd geboren in Erwetegem op 2 april 1817 als zoon van Constant Loterman, een steenbakker uit Michelbeke, en Jacoba Van Der Massen. Hij huwde met Sophia Craye (1823-1896). Het echtpaar kreeg onder meer een zoon, Auguste François Loterman, die op 8 januari 1856 in Elst werd geboren. Het gezin vestigde zich omstreeks 1818 in Michelbeke, in de Dorenbeekstraat. Pieter Francies Loterman speelde er een belangrijke rol in de ontwikkeling van het gemeentelijk onderwijs. In 1840 richtte hij een privéschool op en drie jaar later werd hij aangesteld als de eerste gemeenteonderwijzer van Michelbeke. Daarmee stond hij aan de wieg van het georganiseerde gemeentelijke onderwijs in de gemeente. In 1870 werd in de Heksteelstraat een nieuwe gemeenteschool gebouwd, waar Loterman met zijn gezin naar de bijhorende woning verhuisde. Hij was er de enige leerkracht en bleef er lesgeven tot aan zijn pensionering in 1885, op 68-jarige leeftijd. Pieter Francies Loterman overleed in Michelbeke op 27 jul 1911.
Bronnen https://www.brakel.be/allerlei-info/vrije-tijd-en-communicatie/merkwaardige-graven/het-graf-van-de-pastoor-auguste-loterman-a1-4-6-mic-8/

Naam - plaats

NaamMechelen
GemeenteMechelen
NaamLuik
NaamStaveren

Naam - instituut/vereniging

NaamSint-Amandscollege Kortrijk
BeschrijvingHet Sint-Amandscollege was een katholiek college, opgericht in 1833 te Kortrijk, en werd gehuisvest in de voormalige Proosdij van Sint-Amands. De school wordt af en toe vermeld in de brieven van Guido Gezelle, omdat enkele van zijn kennissen er les gaven of als principaal fungeerden, zoals Arsène Dehulster tussen 1886 en 1893. Priester David Verbeke stond aan de basis van de oprichting, met de stad die instond voor de gebouwen en het bisdom dat de leerkrachten benoemde. Dankzij deze structuur groeide de school snel en kreeg ze de bijnaam "Collège des ducs", waar Frans de voertaal was. De aanvankelijk vlotte samenwerking tussen kerk en stad werd vanaf 1848 bemoeilijkt door de opkomst van antiklerikale liberalen. De schoolstrijd van 1879-1884, aangewakkerd door de liberale regering en de wet Van Humbeeck, bedreigde het voortbestaan van de instelling. In 1886 werd het college echter gekocht door Arthur Verhaegen namens het bisdom, waardoor het werd gevrijwaard van staatsinmenging en als katholieke school kon blijven functioneren. Dit luidde een periode van uitbreiding en modernisering in, onder meer onder architect Jules Félix Carette. In de 20ste en 21ste eeuw bleef de school zich ontwikkelen, met een nieuw complex in 1971 en uiteindelijk een fusie in 2013 met de Pleinschool tot het Guldensporencollege.
Datering1833-2013
Links[wikipedia]
NaamDavidsfonds Mechelen
BeschrijvingDe afdeling Mechelen van het Davidsfonds werd opgericht op 30 april 1875, slechts enkele maanden na de stichting van het Davidsfonds zelf. In 1885 telde de afdeling 100 leden. Het Davidsfonds Mechelen gaf tot 1993 het tijdschrift "Heraut" uit. Vandaag bestaat er in Mechelen geen afdeling van het Davidsfonds meer.
Datering1875-?
NaamWerd der Vlamingen, Luik
BeschrijvingDe benaming Werk der Vlamingen werd gebruikt voor diverse kerkelijke initiatieven en organisaties in Wallonië, Noord-Frankrijk en Parijs die zich richtten op de geestelijke en sociale begeleiding van Vlaamse arbeiders. Er bestonden drie grote Werken der Vlamingen, in Luik, Rijsel en Parijs. Het Werk der Vlamingen in Luik werd in 1865 door de redemptoristen opgericht en groeide uit tot een bloeiende vereniging met verschillende sociale en culturele activiteiten en duizenden leden. De stad Luik telde ongeveer 30.000 Vlamingen op een totale bevolking van 130.000 inwoners. Het Werk der Vlamingen zette zich in om de Vlaamse taal, het katholieke geloof en de culturele eigenheid van de Vlaamse gemeenschap in de Waalse hoofdstad te vrijwaren. Zo zamelde het Werk der Vlamingen fondsen in voor de bouw van een ‘gesticht’ in Vlaamse stijl. Wegens een gebrek aan financiële middelen werd het project echter nooit voltooid.
Datering1865-1969

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelKleengedichtjes
Links[gezelle.be]
TitelDuikalmanak
Links[gezelle.be]
TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
Titel6 Marialiederen : Sechs Marienlieder (voor den huiskring en het concert) voor vierstemmig gemengd choor zonder begeleiding
AuteurTinel, Edgar (componist); Gezelle, Guido (auteur)
Datum[1886]
PlaatsLeipzig
UitgeverBreitkopf & Hartel
Titel6 Geestelijke Gezangen. 6 Geistliche Gesänge. Op.33
AuteurTinel, Edgar (componist); Gezelle, Guido (auteur)
Datum1885
PlaatsLeipzig
UitgeverBreitkopf und Härtel
Titel4 Adventliederen, 4 Adventlieder. Op.35
AuteurTinel, Edgar (componist); Gezelle, Guido (auteur)
Datum1887
PlaatsLeipzig
UitgeverBreitkopf und Härtel

Titelxx/[06/1885], Kortrijk, Guido Gezelle aan [August Cuppens e.a.]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research)
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research), Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), xx/[06/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Cuppens, August]
OntvangerLimburgsch Zantersgildeken
Verzendingsdatumxx/[06/1885]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieMaand van de toegevoegde notitie klopt niet; datering gereconstrueerd op basis van de brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van 04/06/1885 (nr. 7469); de brief is een antwoord op brief nr. 7469; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie; jaartal en maand onzeker; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.198-199 (162b)
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 136 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op z. 1 links in de bovenrand: Aan de Limburgsche Gilde ; idem rechts: [Mei 1885 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; op z. 2 in de linkermarge: einde [+ vertikale streep] (potlood, schuin, onbekende hand) ; op z. 4 linksboven: Mei 85 (inkt, onbekende hand)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8598
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17006
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/3a74332dc21a1d66417d8666392462a7aca872e9/manifest
Inhoud
IncipitIk heb een w. geschreven naar Loterman.
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.