<Resultaat 3113 van 3122

>

p1

…

kome Gustaf Debb. kind Maurits te dopen. Hij zegt mij, Gustaf, (Maurits niet), dat gij nog van de andere wereld niet en zijt.[1] Dus zende u artikel 's taqebailit[2] om verbeteringe en bijvoeg.[3] Kunt gij mij niet doen bestellen tegen betalinge 1° Evangelie boek of Akatcim in araabsche boekteekens[4] 2° spraakleer en woordenboek van taqebailit.[5] Ik zou daar nu en dan ne keer van roeren in Loquela en alzoo zijlings wijzen naar ulieden en O.L.V. van Afrika ⟶

Blijve ulieden toegewijd
Guido Gezelle[6]
[7]p2

Dankbaar ontvangen van Hr A. V., te R.,[8] en, in Loquela, ten dienste gebruikt van de goedjonstige lezers: Akatcim ne diousis Ledzèr s taqebailit, en Aktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s taqebailit.[9] Dat is: Katechismus des Bisdoms Algiers in 't qabijlsch, en Boek van epistels en evangelien op de zondagen en feesten 's jaars, in ' t qabijlsch. Gedrukt t'Algiers, bij Bastide 1869.

Die een gedacht begeert over het uitzien van het qabijlsch, vergelijke Sint Jans Evangelie 's taqebailit met het latijn of het vlaamsch daarvan, Joh. I. 1-14:

1. Di beddou illa Wawal; Awal illa r'our Rebbi ; Rebbi netsa d Awal.

2. Illa wagi di beddou r'our Rebbi.

3. Koulci s ies itsouh'edem; bela netsa itsouh'edem wacemma b waiin illan.

4. Deg s tella toudert; toudert netsat tafat g imdanen.

5. Tafat tecâl di talam, talam our tsetettef ara.

6. Illa ourgaz itsoucegga d s r'our Rebbi, ism is Iah'ia.

7. Wagi iousa d i tcehada, iouak adicehed r'ef tafat , iouak adamenen elkoul s oulemas ines.

8. Maci netsa tafat, lamani iouak adicehed r'ef tafat.

9. Tella tafat ish'an enni inouren koul bounadem iousan d r'er dounit agi.

10. Di dounit illa ; dounit itsouh'edem s ies; dounit our t isinara.

11. Iousa d doug aila s, wid ines our teqebilen ara.

12. Lamani widenni elkoul it iqebelen, ifka iasen tezmert adour'alen d arraw ne Rebbi, i widenni ioumenen s ism is.

13. Enni our iloulen ara seg idammen, wala si lebr'i b ouksoum, wala si lebr'i em bounadem , lamani loulen si Rebbi.

14. Awal iour'al d ouksoum, izder' gar aner', nezera ah'- mad ines am wah'id em Baba, itcour tennâmat tidets.

Dat schijnt hoogst onleerbaar, nochtans:

s Taqebailit is de qabijlsche (tale). Zoo is tábranit de hebreeuwsche, taiounanit de ionische (grieksche), talatinit de latijnsche tale .

Akatcim, uitspr. akatsjiim is, s taqebailit, catéchisme, catéchîme, cat’chîm’.

Diousis is 't fr. diocèse.

Ledzèr (Eldzèr, Alger) is Algiers, oude uitspr. aldjiers.

Aktab, katab, in 't araabsch en 't joodsch, is boek.

Tibratin, enkelvoud tabrats, van (abrat, ebrit, eprit?) épitre , is epistels, epistola. De qabijlen en hebben geen p.

Endjilen, enkelv. endjil, is 't fr. év)angile. De qabijlen en hebben geen v.

Idomniken is (dies dominici) zondagen.

Tifestin is feest(dag)en.

Vers nº 1, 2, 6, 12, 13, Rebbi, (rabbi, rabi, rabbin), is meester (van) mij = God te zeggen, in 't hebreeuwsch.

No 7 Adamenen, 9 bounadem, 13 idammen is adam, menschen, bounadem (ben adam) kind (van) Adam, menschenkind.

Vrglk het joodsche Ben-jamin, kind van de rechtere hand, Ben-oni kind des verdriets, enz.

No 6 lah'ia is Jan, Johannes.

No 12 Ioumenen, van aman, amen, het is, of het zij zoo, ik houde 't voor vast, is crederent.

Nº 14 Baba (b = p) papa, is vader. Wah'id em Baba unigenitus a Patre , enz. p2

De qabijlen, ofte iqebailen, dat is de geslachten, volkstammen, tribus, te zeggen , zijn de africaansche Friezen: Noch de romeinen, noch de wandalen, noch de araben, noch de turken, noch de franschen en hebben ze kunnen heel ten onderen krijgen; ze houden hedendaags nog hunne tale, hunne zeden en hunne gebruiken, zoo nochtans dat hunner landsprake hier en daar een woord of tweedrie van de tale hunner vijanden is aangewaaid, b. v.: roomsch tifestin, araabsch aktab, fransch akatcim, enz. Hoe en zouden hun tale ook geen wandaalsche, dat is oud nederduitsche woorden, aangekleefd zijn gebleven, ingezien de wandalen 100 jaar lang in Africa met hun te doen hadden?[10]

Bij voorbeeld:

Hierboven, vers nº 1, 14, staat s taqebailit: Wawal, Awal[11]= het Woord. In ons oud nederduitsch vlaamsch is walen klappen te zeggen, wawelen vele klappen, tatewalen kliipklappen, wedu)wale (auriolus , compère Loriot) wede-= houtklapper, boschbabbelaar; wale een (onverstaanbare) klapper, z-wale-we, z- wale-me, het aardig vogelken, dat eene geheele reke klapt en dat doorgaans zijne redens eindigt met eenen waalschen «sakrdjiiiit!»

Verder vinde ik wadou[12] de wind, tabokalt b wâter een bokaal met (reuk)water, tafloukt[13] een schip, enz.

Zulk speur zou wel 't volgen weerd zijn en wordt onze vlaamsche Africavaarders aanbevolen.

De Iqebailen tellen onder de volkeren die bij de geleerden de Berbers heeten. Berber of barbar, hieten de Grieken al die geen grieksch, maar, bar bar, bra bra, eene hun onverstaanbare brabbeltale , brabbelden of brebbelden.

Zoo hieten onze voorzaten walen , al die, in hunne ooren, waalden of wawelden, en ze waalsche noten of waalnoten, in ' t engelsch walnuts (= vreemde noten) de akernoten, net zoo als men te Kortrijk de dadels, de daaien, dat is de oostersche palmvruchten, vrimde (= waalsche) pruimen heet.

Wat de tale van die africaansche Walen, van die Berbers of van die onverstaanbaar sprekende iqebailen aangaat, araabschen, latijnschen, franschen, wandaalschen en anderen bijwaai daargelaten, zoo zeggen de geleerden:

1º Dat ze hoegenaamd geen uitstand en heeft met de hebreeuwsche, phœnische, punische, syrische, araabsche, numidische, lybische, œthiopische of andere semitische talen. Gesenius , scripturœ linguaque Phæniciœ monumenta, p. 196, not. XX[14] ad fin.

2º Dat ze integendeel verassende blijken levert van verwantschap zoo met den algischen, dat is den wild-americaanschen taalboom van over zee, zoo met de iberische spraakreliquien, die bij de basken, in 't spaansche bergland, zijn bewaard gebleven. H. de Charencey, Etymologies basquaises, p.572-73. Le Museon, 1882, tome 1, n°4.[15]

Noten

[1] Op 23 april 1883 vertrok Amaat Vyncke aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar.
[2] G. Gezelle, Tegenkomsten brieven etc. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p. 94-96.
[3] Het antwoord van Vyncke kwam te laat terug om van dienst te zijn, zie brief Emiel Demonie aan Guido Gezelle op 13/05/1883.
[4] In zijn antwoordbrief aan G. Gezelle schrijft A. Vyncke: ”De katechismus in araabsche letters en bestaat niet.”
[5] In zijn antwoordbrief aan G. Gezelle schrijft A. Vyncke: ”Van Vierkant Huis, een Elzasser jonge pater, taalliefhebber, Pater Federlen, professor noviciaat Maison Carrée (dat is zijn adres) zendt aan E.H. G.G. zijn Kabijlsche spraakkunste – om te houden, - de groote groote sic kost te diere om te zenden.”
[6] De brief van G. Gezelle aan Vyncke is geschreven op de drukproef van: G. Gezelle, Tegenkomsten brieven etc. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p. 94-96. In de zijrand en de keerzijden staan de brieven van Guido Gezelle en Amaat Vyncke aan elkaar.
[7] Drukproef met correctie van Guido Gezelle en aanvullingen van Amaat Vyncke: G. Gezelle, Tegenkomsten brieven etc. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p. 94-96. In de zijrand en de keerzijden staan de brieven van Guido Gezelle en Amaat Vyncke aan elkaar.
[8] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.

Op 16 juli 1881 kwam Vyncke te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée te beginnen. Na zijn proefjaar keerde Vyncke terug en stichtte hij een apostolische school te Rijsel. Hij volgde medische cursussen aan de universiteit om opnieuw naar Algerije te vertrekken op 18 maart 1883.

[9] Dat boek is nog aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 366).
Achter de 2 staat een kruis met cirkel.
[10] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.
[11] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.
[12] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.
[13] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.
[14] In de zijrand corrigeerde Guido Gezelle de cursieve XX naar niet cursief (aangegeven door */*).
[15] Van ’1°’ tot hier tussen haakjes van Gezelle in blauw potlood.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamDebbaudt, Gustave Constantin Marie Joseph
Datums° Kortrijk, 29/10/1850 - ✝ Kortrijk, 30/01/1901
GeslachtMannelijk
Beroepeigenaar; zoeaaf
BioGustave Debbaudt werd geboren te Kortrijk op 29 oktober 1850. Hij was de zoon van schepen Paul Debbaudt en Pauline Beck, een streng katholieke familie van industriëlen in Kortrijk. Hij nam als zoeaaf deel aan de campagne van 1870. Teruggekeerd in Kortrijk huwde hij Henriette van den Hende met wie hij negen kinderen kreeg. Hij bleef actief betrokken bij de pauselijke werken en bij de Afrikaanse missie van de Witte Paters. Debbaudt was lid van talrijke katholieke verenigingen, waaronder de Congregatie van de Allerheiligste Maagd, de Derde Orde van Sint-Franciscus van Assisi en de Sint-Vincentiusvereniging. Hij was ridder in de Orde van Pius IX en werd onderscheiden met de pauselijke eretekens Fidei et Virtuti en Bene Merenti. Gustave Debbaudt overleed te Kortrijk op 30 januari 1901.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnengeneanet
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat
NaamDebbaudt, Maurice Hubert Marie Joseph
Datums° Kortrijk, 10/04/1883 - ✝ Kortrijk, 10/09/1886
GeslachtMannelijk
BioMaurits Debbaudt werd geboren te Kortrijk op 10 april 1883 als zoon van Gustave Debbaudt en Henriette van den Hende, welgestelde parochianen en kennissen van Guido Gezelle. Hij werd gedoopt door Guido Gezelle. Maurits overleed te Kortrijk op zeer jonge leeftijd op 10 september 1886.
Bronnenbidprentje

Naam - plaats

NaamRijsel
GemeenteLille
NaamAlgiers

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelAktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s Taqebailit ...
AuteurAllemand-Lavigerie, Charles-Martial
Datum1869
PlaatsAlger
UitgeverBastide
TitelScripturae linguaeque Phoeniciae monumenta quotquot supersunt edita et inedita ad autographorum optimorumque exemplorum fidem edidit additisque de scriptura et lingua Phoenicum commentariis
AuteurGesenius, Wilhelm
Datum1837
PlaatsLipsiae
UitgeverVogelii
TitelLe Muséon: Revue d'Études Orientales (periodiek)
AuteurAssociation sans But Lucratif Le Muséon ; Société des Lettres et des Sciences (Louvain)
Datum1881-
PlaatsPeeters
UitgeverLeuven
TitelAkatcim ne Diousis Ledzer S Taqebailit. Catéchisme du diocèse d'Alger en langue kabil
Datum1868
PlaatsAlger
UitgeverBastide

Titel[10/04/1883 t.p.q. - 23/04/1883 t.a.q.], Kortrijk, Guido Gezelle aan [Amaat Vyncke]
EditeurKoen Calis
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis, Gezelle Guido aan Vyncke Amaat, Kortrijk (Kortrijk), [10/04/1883 t.p.q. - 23/04/1883 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Vyncke, Amaat]
Verzendingsdatum[10/04/1883 t.p.q. - 23/04/1883 t.a.q.]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatum gereconstrueerd op basis van de brieftekst: t.p.q. doop door Gezelle van Maurits Debbaut (geboorte 10/04/1883); t.a.q.: voor vertrek van Vyncke naar Afrika op 23/04/1883; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Gepubliceerd inBesproken in: Reizen in den geest. De boekenwereld van Guido Gezelle. / door E. Depuydt; A. De Vos; W. Muylaert ...(teksten); L. Vandamme (samenst.). - Brugge : Openbare bibliotheek "Biekorf", 1999, p.161-162
Fysieke bijzonderheden
Drager 230 mm x 152 mm
papiersoort: 1 zijde beschreven
Staat volledig (tekstverlies door beschadigde zijkant)
Vormelijke bijzonderheden brief geschreven op een door G.G. gecorrigeerde drukproef van Loquela (artikel van Amaat Vyncke in Loquela Jrg.2 (Oostermaand 1883), nr. 12, p. 94-96)
Amaat Vyncke beantwoordde de brief van G.G. op dezelfde drukproef op 01/05/1883
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5330
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.17424
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/73faa86842343dfaf09b0d725d156041769925d2/manifest
Inhoud
Incipit[...] kome Gustaf Debb. kind Maurits te dopen. Hij zegt mij, [...]
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.