Als ze schooten op Willem van Duitschland[2] en op Sander van Rusland,[3] zonden de andere vorsten achterna nen brief met de komplimenten. Gelijkerwijze kom ik nu ook met mijnen brief U geluk wenschen omdat gij vervolging hebt geleden voor de rechtveerdigheid, en 'k hope dat die pak slagen, door U geleden en verdregen voor Ons Heere, Uedele zullen dienstiger zijn als 't onderpastoorsconcours van dees weke, waarvan ge zeker vrij zijt. 'k Hadde gepeisd van Uedele Dijsendage te Mr. Demonies te ontmoeten, maar mijnen Bisdommelijken Almanak[4] raadplegende, heb ik gezien dat, ”ter gelegenheid der nationale onafhankelijkheid (1830-1880) gij uwe gratie bekomen hebt”. 't Was zeker voor kwijtansie dat die schurksche schobbejakse sloubers Uedele aanrandden. – [5] Als ik het gisteravond aan mijn muziekanten[6] vertelde ze zeien alzoo ”hadden we daar moeten zijn, 't en hadde alzoo niet gegaan; die luifers[7] wierden hunne oogen uit hunnen kop gehaald en in stukken gevierendeeld”. - “Hadt het nog gij[8] geweest of Fons Vanhee, zei Gusta en Julie[9] g'en hadt het gijder niet gestolen, maar den braven mijnheere Gezelle, dat is toch zonde Gods”.
Nu dan, wat er ook van wezen of wegen moge, ik schrijve Uedele dit briefje al mijn meditatie doende over de bescherminge van 't H. Schapulier van den Carmelusberg;[10] en ik verhope dat Onze Vrouwe Uedele zal hulp en troost verleend hebben opdat ge zoudt kunnen 1° Fons Vanheens brief zoeken en weêrezenden, 2° 't gedichtje[11] maken van Berten Rodenbach zaliger[12] voor de vlagge. J'espère que votre bras n'est pas frappé agneau![13] (historieke spreuke voor den officiële hondermeester[14] van Lissewege).






