Voorzeker heeft uw Vlaamsch hert reeds dikwijls gebloed toen gij overdacht hoe ongenaakbaar, hoe onbekend en bijgevolg hoe onbemind, onze Vlaamsche, gezonde, degelijke letterkunde, ten gevolge van eene onvaderlandsche opvoeding voor het vrouwelijk geslacht van Vlaanderen ingesloten ligt. Gij vooral, Eerweerde Heer, die zelf dat kloek, aangenaam letterkundig voedsel aan gansch ons volk kunt en wilt mededeelen, gij vooral moet reeds dikwijls al de pijnlijkheid van dien toestand betreurd en naar een redmiddel uitgezien hebben.
Dit redmiddel willen wij thans beproe-p2ven in te voeren onder vorm van een Vlaamsch tijdschrift voor Jufvrouwen,[1] en ‘t is diensaangaande dat ik, in naam der eigenzelvigheid van ons volk, mij tot u durf wenden. Ik neem dus de vrijheid u te vragen of gij door letterkundige bijdragen (vooral in de eerste nummers) aan dat tijdschrift uwe medewerking wilt schenken en ook of wij op de aankondigingsbrieven die het tijdschrift zullen kenbaar maken, uwen naam bij dien der “opstellers” mogen vermelden.
Verschillige priesters zooals E.H. Arth. Scheiris, E.H. Fr. De Wolf; verschillige Paters zooals E.P. Jordens enz. hebben mij hunne medewerking beloofd en zijn leden van den opstelraad. Ik hoop dus, Eerweerde Heer, dat gij niet aarzelen zult dien blijk van genegenheid aan gansch uw volk, aan gansch uw Vlaanderen te geven, en zoo den wensch p3te vervullen van duizenden Vlamingen die ongeduldig zulk een tijdschrift verlangen.
Op een gunstig antwoord hopend, bied ik u, Eerweerde Heer, de uitdrukking van mijnen dankbaren eerbied







