Met dit briefken komen u dan weêr een dikke honderd woorden toe,[1] van ons Limburgsch gulleken bijeengezocht en opgeteekend. Gij hadt ze al lang t'huis gehad, ware 't niet dat wij allen te fel bezig geweest waren met onze prijskampen en de geestelijke oefeningen van vóór de Wijding. Wij hopen dat gij weêr zoo goed zult zijn en wilt ons weêr een halsterken[2] of twee Vindekoorn[3] gereed maken voor “de Student” dan brengt ons dat bladtjen toch ook al wat nut bij. Maar: schrijf er deze keer eens een goê 40 reken voor, om de studenten te leeren hoe ze moeten op zoek gaan achter hun vindekoorn,[4] want ik geloof dat ze 't nog niet goed verstaan hebben.
De “Vl Wekker” van Leuven heeft al over twee of drie maanden[5] 12 Liederen van G. Gezelle en Fr. Mille”[6] aangekondigd “om in 't kort te verschijnen” Waar moeten wij inschrijven, want de Wekker zwijgt daar van dat hij zweet? Gisteren vierden wij 't feest van Sinte Luitgaarde.[7] p2De mannen van ons gulleke zijn altegaâr tot ons Heer geweest, Arthur voorop, en wij hebben God bedankt voor de verlossing van ons lief landeken, Hem allen gebeden dat hij U en al de leiders en meesters zou zegenen met hun werk en dat hij van Johan Winkler zoo maar eenvoudig af 'ne braven Roomschen kristenmensch zou maken;[8] dat alles met voorspraak van onze lieve patroonesse, geboortig van Tongeren in Limburg. Ik vertel het U, omdat ik weet dat het u vreugde zal verschaffen. Gij en moogt niet te sterk verbauereerd[9] staan als gij ons op 't einde van Oostmaand,[10] met de feesten van Brugge,[11] eens ziet te Kortrijk aangestoomd komen met 'nen man of vier. 't Is nog niet zeker, maar 'k kan heel goed zijn. Dan zult gij een gevraag en geplaag en gejubel hooren van die jonge Limburgsche wauwelaars en wij zullen u eens zoo zuiver Limburgsch kallen als Moeder 't ons geleerd heeft: Maaslands, Hoogkempisch, Taxanders[12] en Kleen-Frankrijks.[13] Die schoone studie over Horendul[14] enz. was ons allerbest gekomen. 't Huis doen ze de vogels ook zoo van alles zeggen,[15] zóó zegt de wiewaal: Kust het broekske van Léo!
De heikneuter: Drīnk es ūīt … en tapt nog eens!
De botvink: Tiet, tiet, tiet, 't ès gedaan met Sus Karwiet!
Den pitoor[16] en ken ik niet; ik moet toch eens aan p3vader t'huis vragen hoe ze dien vogel in Limburg heeten. Als hij er zit, kent hem vader zeker.
Nu zal 't weêr een dikke maand duren eer wij weêr wat opzenden, wij hebben tegenwoordig te veel tijd vandoen met het bereiken van een schoon feest: wij vieren op 't einde der maand den 50 ste jaardag van 't Professorschap[17] van Mr. Mommen onze beminde professor van Zedeleer.[18] Daar zal ook zoo veel Vlaamsch bij gezongen en gedicht worden als Fransch.
Hiermeê schei ik uit, u eerbiedig manende van ons eens wat te schrijven over de regels om gelouterd Limburgsch te spreken en te schrijven, gelijk gij het aan Arthur moet beloofd hebben, wie hij zegt. of zult gij dat uitstellen tot den gelukkigen dag van “os ad os”?[19] Nog beter, dan zullen wij een deftig pak meê terug nemen naar Limburg.
P.S. Wij hebben al weêr nen Student van Brugge hier, Mr van de Putte, een geboren Limburger die te Yper en te Roesselare gestudeerd heeft. En daar komen er nogal anderen als kapelaans, schijnt het.
30 [21]
Wij hebben noch Debo's Idioticon noch Schuermans hiervoor geraadpleegd maar wel andere woordenboeken.
x De grijze meer = herfstmist die op de bruggen of ’t broek, de weide ligt in de herfstavonden, herfst =
x (den) herfstdraadjes (Beeringen) (den) Pakkebeu, (den) boeman, (den) blauwen eergisteren = kinderspooksels
bast. (Landen) mannelik = mand, korf.
+ ----wil (Lanklaer) b.v. hinnewil = ter wille van …
+ doeken: werkw. - stand: de= weversuitdrukkingen (Lankl.)
(den) spijker (Lankl.) = duivenkot.
x (den) peddemook (Weert) = kwaak- of kikvorsch.
+ (L.L.) lōmmĕrten102 (W.) = feest voor een Kerstekind. (altijd meervoud)
(W=Weert) kerstekind (W.) = wicht op zijnen doopdag.
Taai (ta) = vader (W.) èta = (oudta) grootvader Êddê = grootje (Rond Heers)
+ ----tären (uitgang) b.v. loopentären = al ----ende
dus loopentären = al loopen. (Rond Waltwilder)
baar vrouwelik = tael, aarden schotel (Walt.)
moederzielig alleen = moederziel alleen (Walt.)
toet = papieren zakje, maalken (Walt.)
hulp vrouwelik = bretel, en kruiriem voor eene kruiker (Walt.)
aam vrouwelik = de helft van eene ton en 't twee dobbel van eenen anker. (Walt.)
booi (bode) = veldwachter (Walt)
lijfken = kazevek. (ib.)
gevär. onz. = Ker en paard – alle paarden en kerren van eenen hoof (hoeve) (ib.)
taggen = kijven. (ib.)
prikken = (met kunst) pakken, snappen; b.v. eenen kaatsbol prikken (ib.) +
+ den schooverik = vuurman = groot dwaallicht (ib.)
ummĕren = boschbēren. (aardbēren krimpt tot ubbĕren.
Keken (käken) = schreeuwen (ib.)
(het) *dälken *däl: bestaat nie = zwarte vogel die in de torens houdt :woont, nestelt. (ib)
heet: Kauw – Kauwken: op ander plekken.
(de) schans (ib) = (den) motsem (ib) = den mutterd (Zonhoven) = mutserd
beteekent alles: houten mutsaard
gaar: (ib) = barrier bij den ingang van eenen boogerd, weide, enz.p230 vo
waar geen dorpsnaam meer bijstaat passim gezeid in Kleen Vrank. In ’t bezonder Zonhoven, Beeringen, Zolder, …. tot aan Diest.
In Kleen Frankrik hoort men:
nuts. mannelik = sleepwagen om boomen te vervaren. (mits rond Waltwilder = eene kneuzing van eene vrucht.)
dom. mannelik = deel van het rad waar de as in draait.
+ vasel = mager: vazel (levende) koei of kalf.
loorjas = stommerik, onhendige. Loorjas zoo ver als hij werm is.
heukel.mannelik = een kleene hoop: b.v. een hooiheukel.
van daar: heukelen: op kleine hoopen zetten.
gidden (geeën - wie beeën = bidden enz.) = wieden
beden, bede, gebeed: bidden, bad, gebeden.
wie = 1º ‘lijk, 2º hoe? 3º toen, wanneer.
+ reek = hark. - roochelen = met het stoofijzer in 't vuur stooten.
kwikkelen: aan iets futselen dat op 't breken of 't vallen staat.
+ opgang. mannelik = voorjaar, lente. (Oetersjank in de Kempen)
vers = hak, polevij
stand = melkvat waarin ze de boter draaien.
durpel voor drempel.
moorrup = mol; vried (wreed) = ruw:
(den) eekvisch = hagedisch.
(den) eiwortel = uitwas van vel bij de nagels.
schoof. oo: als in schoof strooi onzijdig (b.v. op het schoof leggen) = doodsleger
+ mikken = in den zin van passen
+ vleugen = een bol van verre op de kegels doen vliegen.
pol(d)er = een opplaatsken voor de hinnen.
bullebak = dik (stieren) aangezicht, 2º ruwe mensch
gebik. onzijdig (meer in de Kempen) = zweem van ’t aangezicht. b.v. op 't gebik herkennen.
maagd = dienstmeid; wamzeik = mier(zeik)
+ (den) klater = (de) schaal = om in de Kerk den Godspenning rond te halen; lawijt = lawaai.
+ (het) geleeg = (het) gedoen; poesemien = (minette. fransch) kat.
(den) sĭbōts = bots = 1º oogenblik 2º bots = (ook) bijna)
bottelen = uitbottelen. b.v. iemand de deur uitbottelen - de zatlap bottelde de straat af.
daal (bijwoord) = neer, beneden. b.v. Zet u daal. - hij is daal (op de onderste verdieping.)
voort! = uit de zij! uit de baan!p331
(den) winkel. mannelik = deel der schuur waar men den korentas legt.
Sinkel. mannelik = schelf boven den winkel (te Linckhout). Op andere plaatsen wilt dat zeggen: een stuk uitgeburden (gebrand — van burren, burde, geburd (Weert)) en ineen gesmolten steenkool.
+ verhampelen (eene kat, vogel enz.) voor verhand-felen.
klonk = klomp; (den) henno = ekster. (Zonhoven) hain te Beeringen.
grellig (grillig?) = schrikkelik.
kullen = foppen; wat lieft u? = wat belieft u?
kroenselen = kroeselen = kloosterberen = aalbezen.
+ groes = grasperk; kreeg = ter nouwernood.
+ (den) neeren (aire?) = (schuur)den den: mannelik- = harde vloer (marm.)
vlooien = iemand (kullende) uitpluizen; bedriegen.
schurf = ongezuiverde ijzererts. (mannelik)
āllĭk (bijv. naam.) = gansch, niet in stukken. uitspr: āalĭk, met zuivere aa
+ verzauwelen = verflauwen (De noen te lang op 't vuur staande verzauwelt.)
breed (berd - bord) = 1º schotelbank, 2º plank. - (onzijdig)
trakken = toeven, talmen.
+ ween (uitspr. wian) = brandzweerken (bij de oogen). onzijdig
sunk of sink = afgeknotte boom (vrouw.)
(de) smak = (de) smet = (de) smiek (Vlijtingen) = rijzweep.
kletsoor of klatsoor = 't fijn koordeken dat ze aan 't einde van de karwats binden (dat men -----)
zwanejoffrouw = alve, elf.
schop: dak; op eenige stijpels rustend, om de wagens te beschutten. (onzijdig)
poen = zoen, kus. novenant = naargelang.
kwak = malsch - nog niet vlug (voor een’ vogel)
mutten = kalf. kretsen = krauwen, krabben.
(de) gajool = vogelskouw. (vrouwelik)
mijdt u! (wederk.) = gaat uit de zij!
+ (vrouwelik) (de) spullen (meerv.) = alle klēēren die men aan heeft - die men bezit.
+ leuren = uitrekken - zich uitrekken: b.v. de elastiek leurt hem.
+ (zwarte) miere of miereke is zoveel als: asschepoester.p431vo
piepelen = piepel = pepel, vlinder.
+ zouw (vrouwelik) = watersloot in de weide gegraven
graaf: groote uitgegraven gracht of waterloop.
gracht: de ophooping van den grond langs eenen sloot of rond een veld.
baggerd (enkelv. mannelik) = brandgrond onder de heilappen (den hēīlăp en den turf uitgesteken.
klots (vrouwelik) = het wichtersschiettuig van heulenteuten hout, waarin de stemper en eene klotsbeer de luchtdrukking, en deze de vliedkracht te weeg brengen.
velling: brug die, op eene ker, van de eene burg (berrie) naar de andere loopt om de planken te hagen (hagen, hiel, gehagen = houden)
plătēi = plinte, vensterrand. (vrouwelik)
kroeg of krug (cruche. fransch) mannelik = kruik
klits = een uit klei gebakken (den) maai, dat is knikker. (vrouwelik) van daar klitsen: knikkeren
x horen = doffer, duiver.
+ woele! = schreeuw om de eenden bij te roepen.
mukelen, smodderen = in iets slijmerigs worstelen (Beeringen)
wieveren = bewegen zoo zegt men te Beeringen: de vogel wievert al in zijn ei. Daarna pikt hij (de jonge vogel om uit de schaal te geraken). Als hij er uit is krijgt hij eerst stoppelen, daarna duivelshaar. Als hij vlug is leidt hij uit. Het kakennestje is hier in de streek van Diest en Beeringen het kleinste vogeltje uit een gansch nest; men zegt het ook voor de Benjamin in de familie.
(de of het) - schăldēi = met een’ muur omringde koer of achterplaats, maar dan moet zij geplaveid zijn.
looi of loeder = een luie loome man die niets beteekent.
Smaalbloot zegt men van de vogelen die noch stoppel noch haar en hebben (Beeringen)
Haïn = ekster of ook wel hainnekenspek (id)
streek = een vierkant en langwerpig hout waar men de zeissen mede scherp maakt; De zeissen haren = scherp maken al kloppend met een hamer op de zeisen die op het haarijzer of de haarpin ligt.
streen of haarzak = slimme guit, plager (maar steeds in een’ goeden zin)







