<Hit 1062 of 3122

>

p1Geloofd zij Jezus Christus
WelEerweerde heer en goede Meester,

Met dit briefken komen u dan weêr een dikke honderd woorden toe,[1] van ons Limburgsch gulleken bijeengezocht en opgeteekend. Gij hadt ze al lang t'huis gehad, ware 't niet dat wij allen te fel bezig geweest waren met onze prijskampen en de geestelijke oefeningen van vóór de Wijding. Wij hopen dat gij weêr zoo goed zult zijn en wilt ons weêr een halsterken[2] of twee Vindekoorn[3] gereed maken voor “de Student” dan brengt ons dat bladtjen toch ook al wat nut bij. Maar: schrijf er deze keer eens een goê 40 reken voor, om de studenten te leeren hoe ze moeten op zoek gaan achter hun vindekoorn,[4] want ik geloof dat ze 't nog niet goed verstaan hebben.

De “Vl Wekker” van Leuven heeft al over twee of drie maanden[5] 12 Liederen van G. Gezelle en Fr. Mille”[6] aangekondigd “om in 't kort te verschijnen” Waar moeten wij inschrijven, want de Wekker zwijgt daar van dat hij zweet? Gisteren vierden wij 't feest van Sinte Luitgaarde.[7] p2De mannen van ons gulleke zijn altegaâr tot ons Heer geweest, Arthur voorop, en wij hebben God bedankt voor de verlossing van ons lief landeken, Hem allen gebeden dat hij U en al de leiders en meesters zou zegenen met hun werk en dat hij van Johan Winkler zoo maar eenvoudig af 'ne braven Roomschen kristenmensch zou maken;[8] dat alles met voorspraak van onze lieve patroonesse, geboortig van Tongeren in Limburg. Ik vertel het U, omdat ik weet dat het u vreugde zal verschaffen. Gij en moogt niet te sterk verbauereerd[9] staan als gij ons op 't einde van Oostmaand,[10] met de feesten van Brugge,[11] eens ziet te Kortrijk aangestoomd komen met 'nen man of vier. 't Is nog niet zeker, maar 'k kan heel goed zijn. Dan zult gij een gevraag en geplaag en gejubel hooren van die jonge Limburgsche wauwelaars en wij zullen u eens zoo zuiver Limburgsch kallen als Moeder 't ons geleerd heeft: Maaslands, Hoogkempisch, Taxanders[12] en Kleen-Frankrijks.[13] Die schoone studie over Horendul[14] enz. was ons allerbest gekomen. 't Huis doen ze de vogels ook zoo van alles zeggen,[15] zóó zegt de wiewaal: Kust het broekske van Léo!

De heikneuter: Drīnk es ūīt … en tapt nog eens!

De botvink: Tiet, tiet, tiet, 't ès gedaan met Sus Karwiet!

Den pitoor[16] en ken ik niet; ik moet toch eens aan p3vader t'huis vragen hoe ze dien vogel in Limburg heeten. Als hij er zit, kent hem vader zeker.

Nu zal 't weêr een dikke maand duren eer wij weêr wat opzenden, wij hebben tegenwoordig te veel tijd vandoen met het bereiken van een schoon feest: wij vieren op 't einde der maand den 50 ste jaardag van 't Professorschap[17] van Mr. Mommen onze beminde professor van Zedeleer.[18] Daar zal ook zoo veel Vlaamsch bij gezongen en gedicht worden als Fransch.

Hiermeê schei ik uit, u eerbiedig manende van ons eens wat te schrijven over de regels om gelouterd Limburgsch te spreken en te schrijven, gelijk gij het aan Arthur moet beloofd hebben, wie hij zegt. of zult gij dat uitstellen tot den gelukkigen dag van “os ad os”?[19] Nog beter, dan zullen wij een deftig pak meê terug nemen naar Limburg.

Ontvang, eerweerde heer en meester, onzen eerbiedigen en hertelijke vlaamsche kristen groet! Tot later, als 't God belieft!
A. Cuppens en Anderen

P.S. Wij hebben al weêr nen Student van Brugge hier, Mr van de Putte, een geboren Limburger die te Yper en te Roesselare gestudeerd heeft. En daar komen er nogal anderen als kapelaans, schijnt het.

[20]p1

30 [21]

Wij hebben noch Debo's Idioticon noch Schuermans hiervoor geraadpleegd maar wel andere woordenboeken.

x De grijze meer = herfstmist die op de bruggen of ’t broek, de weide ligt in de herfstavonden, herfst =

x (den) herfstdraadjes (Beeringen) (den) Pakkebeu, (den) boeman, (den) blauwen eergisteren = kinderspooksels

bast. (Landen) mannelik = mand, korf.

+ ----wil (Lanklaer) b.v. hinnewil = ter wille van …

+ doeken: werkw. - stand: de= weversuitdrukkingen (Lankl.)

(den) spijker (Lankl.) = duivenkot.

x (den) peddemook (Weert) = kwaak- of kikvorsch.

+ (L.L.) lōmmĕrten102 (W.) = feest voor een Kerstekind. (altijd meervoud)

(W=Weert) kerstekind (W.) = wicht op zijnen doopdag.

Taai (ta) = vader (W.) èta = (oudta) grootvader Êddê = grootje (Rond Heers)

+ ----tären (uitgang) b.v. loopentären = al ----ende

dus loopentären = al loopen. (Rond Waltwilder)

baar vrouwelik = tael, aarden schotel (Walt.)

moederzielig alleen = moederziel alleen (Walt.)

toet = papieren zakje, maalken (Walt.)

hulp vrouwelik = bretel, en kruiriem voor eene kruiker (Walt.)

aam vrouwelik = de helft van eene ton en 't twee dobbel van eenen anker. (Walt.)

booi (bode) = veldwachter (Walt)

lijfken = kazevek. (ib.)

gevär. onz. = Ker en paard – alle paarden en kerren van eenen hoof (hoeve) (ib.)

taggen = kijven. (ib.)

prikken = (met kunst) pakken, snappen; b.v. eenen kaatsbol prikken (ib.) +

+ den schooverik = vuurman = groot dwaallicht (ib.)

ummĕren = boschbēren. (aardbēren krimpt tot ubbĕren.

Keken (käken) = schreeuwen (ib.)

(het) *dälken *däl: bestaat nie = zwarte vogel die in de torens houdt :woont, nestelt. (ib)

heet: Kauw – Kauwken: op ander plekken.

(de) schans (ib) = (den) motsem (ib) = den mutterd (Zonhoven) = mutserd

beteekent alles: houten mutsaard

gaar: (ib) = barrier bij den ingang van eenen boogerd, weide, enz.p230 vo

waar geen dorpsnaam meer bijstaat passim gezeid in Kleen Vrank. In ’t bezonder Zonhoven, Beeringen, Zolder, …. tot aan Diest.

In Kleen Frankrik hoort men:

nuts. mannelik = sleepwagen om boomen te vervaren. (mits rond Waltwilder = eene kneuzing van eene vrucht.)

dom. mannelik = deel van het rad waar de as in draait.

+ vasel = mager: vazel (levende) koei of kalf.

loorjas = stommerik, onhendige. Loorjas zoo ver als hij werm is.

heukel.mannelik = een kleene hoop: b.v. een hooiheukel.

van daar: heukelen: op kleine hoopen zetten.

gidden (geeën - wie beeën = bidden enz.) = wieden

beden, bede, gebeed: bidden, bad, gebeden.

wie = 1º ‘lijk, 2º hoe? 3º toen, wanneer.

+ reek = hark. - roochelen = met het stoofijzer in 't vuur stooten.

kwikkelen: aan iets futselen dat op 't breken of 't vallen staat.

+ opgang. mannelik = voorjaar, lente. (Oetersjank in de Kempen)

vers = hak, polevij

stand = melkvat waarin ze de boter draaien.

durpel voor drempel.

moorrup = mol; vried (wreed) = ruw:

(den) eekvisch = hagedisch.

(den) eiwortel = uitwas van vel bij de nagels.

schoof. oo: als in schoof strooi onzijdig (b.v. op het schoof leggen) = doodsleger

+ mikken = in den zin van passen

+ vleugen = een bol van verre op de kegels doen vliegen.

pol(d)er = een opplaatsken voor de hinnen.

bullebak = dik (stieren) aangezicht, 2º ruwe mensch

gebik. onzijdig (meer in de Kempen) = zweem van ’t aangezicht. b.v. op 't gebik herkennen.

maagd = dienstmeid; wamzeik = mier(zeik)

+ (den) klater = (de) schaal = om in de Kerk den Godspenning rond te halen; lawijt = lawaai.

+ (het) geleeg = (het) gedoen; poesemien = (minette. fransch) kat.

(den) sĭbōts = bots = 1º oogenblik 2º bots = (ook) bijna)

bottelen = uitbottelen. b.v. iemand de deur uitbottelen - de zatlap bottelde de straat af.

daal (bijwoord) = neer, beneden. b.v. Zet u daal. - hij is daal (op de onderste verdieping.)

voort! = uit de zij! uit de baan!p331

(den) winkel. mannelik = deel der schuur waar men den korentas legt.

Sinkel. mannelik = schelf boven den winkel (te Linckhout). Op andere plaatsen wilt dat zeggen: een stuk uitgeburden (gebrand — van burren, burde, geburd (Weert)) en ineen gesmolten steenkool.

+ verhampelen (eene kat, vogel enz.) voor verhand-felen.

klonk = klomp; (den) henno = ekster. (Zonhoven) hain te Beeringen.

grellig (grillig?) = schrikkelik.

kullen = foppen; wat lieft u? = wat belieft u?

kroenselen = kroeselen = kloosterberen = aalbezen.

+ groes = grasperk; kreeg = ter nouwernood.

+ (den) neeren (aire?) = (schuur)den den: mannelik- = harde vloer (marm.)

vlooien = iemand (kullende) uitpluizen; bedriegen.

schurf = ongezuiverde ijzererts. (mannelik)

āllĭk (bijv. naam.) = gansch, niet in stukken. uitspr: āalĭk, met zuivere aa

+ verzauwelen = verflauwen (De noen te lang op 't vuur staande verzauwelt.)

breed (berd - bord) = 1º schotelbank, 2º plank. - (onzijdig)

trakken = toeven, talmen.

+ ween (uitspr. wian) = brandzweerken (bij de oogen). onzijdig

sunk of sink = afgeknotte boom (vrouw.)

(de) smak = (de) smet = (de) smiek (Vlijtingen) = rijzweep.

kletsoor of klatsoor = 't fijn koordeken dat ze aan 't einde van de karwats binden (dat men -----)

zwanejoffrouw = alve, elf.

schop: dak; op eenige stijpels rustend, om de wagens te beschutten. (onzijdig)

poen = zoen, kus. novenant = naargelang.

kwak = malsch - nog niet vlug (voor een’ vogel)

mutten = kalf. kretsen = krauwen, krabben.

(de) gajool = vogelskouw. (vrouwelik)

mijdt u! (wederk.) = gaat uit de zij!

+ (vrouwelik) (de) spullen (meerv.) = alle klēēren die men aan heeft - die men bezit.

+ leuren = uitrekken - zich uitrekken: b.v. de elastiek leurt hem.

+ (zwarte) miere of miereke is zoveel als: asschepoester.p431vo

piepelen = piepel = pepel, vlinder.

+ zouw (vrouwelik) = watersloot in de weide gegraven

graaf: groote uitgegraven gracht of waterloop.

gracht: de ophooping van den grond langs eenen sloot of rond een veld.

baggerd (enkelv. mannelik) = brandgrond onder de heilappen (den hēīlăp en den turf uitgesteken.

klots (vrouwelik) = het wichtersschiettuig van heulenteuten hout, waarin de stemper en eene klotsbeer de luchtdrukking, en deze de vliedkracht te weeg brengen.

velling: brug die, op eene ker, van de eene burg (berrie) naar de andere loopt om de planken te hagen (hagen, hiel, gehagen = houden)

plătēi = plinte, vensterrand. (vrouwelik)

kroeg of krug (cruche. fransch) mannelik = kruik

klits = een uit klei gebakken (den) maai, dat is knikker. (vrouwelik) van daar klitsen: knikkeren

x horen = doffer, duiver.

+ woele! = schreeuw om de eenden bij te roepen.

mukelen, smodderen = in iets slijmerigs worstelen (Beeringen)

wieveren = bewegen zoo zegt men te Beeringen: de vogel wievert al in zijn ei. Daarna pikt hij (de jonge vogel om uit de schaal te geraken). Als hij er uit is krijgt hij eerst stoppelen, daarna duivelshaar. Als hij vlug is leidt hij uit. Het kakennestje is hier in de streek van Diest en Beeringen het kleinste vogeltje uit een gansch nest; men zegt het ook voor de Benjamin in de familie.

(de of het) - schăldēi = met een’ muur omringde koer of achterplaats, maar dan moet zij geplaveid zijn.

looi of loeder = een luie loome man die niets beteekent.

Smaalbloot zegt men van de vogelen die noch stoppel noch haar en hebben (Beeringen)

Haïn = ekster of ook wel hainnekenspek (id)

streek = een vierkant en langwerpig hout waar men de zeissen mede scherp maakt; De zeissen haren = scherp maken al kloppend met een hamer op de zeisen die op het haarijzer of de haarpin ligt.

streen of haarzak = slimme guit, plager (maar steeds in een’ goeden zin)

Annotations

[1] Zie bijlage bij de brief.
[2] G. Gezelle, Halster. In: Loquela: 1 (November 1881) 7, p. 53: “Kiliaen geeft: ‘Halster. Semodius, mensura varia apud varios’. (...) Wieland, kunstwoordenboek 188, zegt: ‘Halster, eene korenmaat, vroeger in sommige streken van Nederland gebruikelijk’. (...) En volgens Pastor Schuermans Idioticon hoort men te Leuven hedendaags nog een halster voor eene graanmaat. Een zak tarwe van vijf halsters weegt 100 kilos.”
[3] ‘Vindekoorn’ was de naam van een rubriek in het tijdschrift De Student waarin ingezonden gewestwoorden werden opgelijst en verklaard. Deze rubriek verscheen enkel in 1884. De titel zinspeelt op ‘Zantekoorn’, een gelijkaardige rubriek die G. Gezelle vanaf 1881 publiceerde in zijn taalkundig tijdschrift Loquela. Beide benamingen verwijzen naar het zanten (verzamelen en oprapen) van ‘graankorrels’ uit de levende volkstaal.
[4] Het voorwoord van ‘Vindekoorn’ luidt: “Dat is taal- en woordenvoorraad van de vroegere bouwliederen achtergelaten, verroekeloosd of verloren op den vlaamschen akker, nu opgeraapt, gekeurd, gezant en gezameld, door een deel limburgsche, brabantsche, waalsche, zeeuwsche, belgische en uitlandsche Vlamingen.” In: De Student: 4 (1884) 2, p.40-42.
[5] De aankondiging van de 12 liederen van Gezelle op muziek van Mervillie werd driemaal gepubliceerd in Onze Vlaamsche Wekker: 2 (15 maart 1884) 11, p. 145; 2 (15 april 1884) 12, p. 169.; 3 (15 juni 1884) 19, p. 32.
[6] Het betreft een naamsverwisseling. De aankondiging in de Vlaamsche Wekker verwijst naar A. Mervillie.
[7] Haar naamdag valt op 16 juni.
[8] In zijn brief van eind1883 aan ’de Heeren van het Gulleken’ vroeg G. Gezelle om in stilte te bidden voor de bekering van Winkler: “Sedert zijne reize alhier begint hij te twijfelen aan zijne ongeloovigheid.”
[9] L.-L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon. Brugge: Gaillard, 1873, p. 1251: “Verbauwereeren: verbijsteren, ontstellen.”
[10] Oogstmaand of Oestmaand = augustus.
[11] Feesten te Brugge naar aanleiding van de zaligverklaring van Karel De Goede in 1884 met o.m. een historische stoet op 24, 26 en 28 augustus 1884.
[12] Taxandrië omvat het huidige gebied van de Vlaamse en Brabantse (Ned.) Kempen. Plinius Maior, 4, 31 (17): “A Scaldi incolunt extera Toxandri pluribus nominibus. (Vertaling (Latijn): Vanaf de Schelde bewonen De Toxandri de gebieden daarachter die zijn onderverdeeld in verschillende volkeren met vele namen.) Vanaf de 4de eeuw wordt dit gebied ingepalmd door de Salische Franken (Ammianus Marcellinus, Res Gestae, XII, 8.3). De Campani Toxandri worden in het oosten en het noorden begrensd door de Maas, in het zuiden door de Ruppel in het westen door de Schelde. Omstreeks het jaar 1000 versmolten Taxandria, Haspengouw en de Maasgouw tot het graafschap Loon.
[13] “Klein Vrankrijk heet ik de oevers van den Demer, van bekans aan Bilsen tot aan Diest, en van de beken die daar in deze rivieren lopen: de Rostbeek, de Zwertbeek, de Mangelbeek en de Herck.” In : Lenaerts Jacob, Over ’t Limburgsch. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, 14,17.
[14] G. Gezelle, Hoorndul, Hoorndol. In: Loquela: 4 (Oostermaand 1884) 12, p. 89-104.
[15] G. Gezelle, Hoorndul, Hoorndol. In: Loquela: 4 (Oostermaand 1884) 12, p. 96: “ (...) de verschillige vogeltalen (...).”
[16] G. Gezelle, Hoorndul, Hoorndol. In: Loquela: 4 (Oostermaand 1884) 12, p. 94: “ Wie heeft er dat gezien dat de pitoor zijnen scherpen bek in 't water dompelt, als hij zoo geweldig ‘hi-rhônd, gi-taôwr, pi-poôw, pi-poôwr, pi-toôwr, bi-toôwr’ beurelt, alzoo hij pleegt?”
[17] Het betrof de viering van zowel het vijftigjarig leraarschap van Petrus Mommen als het vijftigjarig priesterjubileum. Hij werd op 16 augustus 1834 tot professor benoemd en ontving op 19 augustus 1834 de priesterwijding.
[18] Guido Gezelle bracht een tweedaags bezoek aan het Grootseminarie van Luik in juni 1884. Op dat ogenblik vierde men er het vijftigjarig leraarschap en het priesterjubileum van Petrus Mommen. De jubileumviering zelf vond plaats op de tweede dag van zijn verblijf, vermoedelijk op 28 of 29 juni 1884. Zie: Verslag van Leonard Willem Jakob Lenaerts, Guido Gezelle als Stichter van 't Daghet in den Oosten. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, map 14,15: “Gezelle is Mommen bij zijn doorkomen gaan gelukwenschen (…).”
[19] Vertaling (Latijn): van aangezicht tot aangezicht, face to face, vis-à-vis, persoonlijk.
[20] Bijlage met verzamelde Limburgse woorden bij brief van 17/06/1884 van A. Cuppens en A. Lewylle aan G. Gezelle.
[21] Alle pagina’s van de bijlage zijn met inkt doorstreept door A. Cuppens.

Register

Correspondents - persons

NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Sender

NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Recipient

NameGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Dates° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Place

NameLuik

Name - person

NameCuppens, August
Dates° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relation to Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NameLewylle, Arthur
Dates° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
SexMannelijk
Occupationpriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: 'Het teeken des vreden'. Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relation to GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NameMervillie, Alfons; Bach-Mervillie
Dates° Wontergem, 17/05/1856 - ✝ Kortrijk, 04/04/1942
SexMannelijk
Occupationcomponist; vertaler; auteur; dichter; priester; leraar; pastoor
BioAlfons Mervillie , zoon van Pieter Mervillie, landsman, en Regina Quintyn, was een componist, vertaler, prozaschrijver (in didactisch-volkse trant) en gelegenheidsdichter. Hij was een taalparticularist en "buitensporig taalpurist" (De Vleeschouwer). Aan het kleinseminarie te Roeselare was hij leerling van H. Verriest. Hij was een geestdriftig muziekliefhebber en bewonderaar van Bach. Hij werd priester op 27/08/1882 en op 03/10/1880 leraar orgelspel en kerkzang aan de nomaalschool en kosterschool te Torhout. Vanaf 1891 was hij onderpastoor te Dudzele (27/11/1891), Nieuwpoort (15/05/1896), en Aartrijke (23/11/1898), en pastoor te Nieuwkapelle (22/08/1913). Hij schreef verschillende bijdragen in Biekorf, en was de auteur van 12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedragen. Leipzig, 1884 (1886, uitgebreid, met een inleiding op schoonheidsleer), Gusten, verhaal uit den ouden tijd. Brugge,1891 en Evangeline, Roeselare, 1901 (metrische vertaling uit Longfellow).
Links[odis], [wikipedia]
Relation to Gezellecorrespondent; componist Gezelleliederen
SourcesF. De Vleeschouwer, Mervillie, Alfons. In: NBW 4, kol. 560- 564
NameVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Dates° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
SexMannelijk
Occupationpriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
SourcesE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NameWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Dates° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
SexMannelijk
Occupationarts; taalkundige; auteur
ResidenceNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relation to Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
SourcesEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NameLutgardis van Tongeren; Sint-Lutgart; Schutsvrouwe van Vlaanderen
Dates° Tongeren, 1182 - ✝ Aywières/Awirs, 16/06/1246
SexVrouwelijk
OccupationBenedictines; mystica; heilige
BioDe heilige Lutgardis, patroonheilige van vrouwen en blinden, werd in het jaar 1182 geboren in het Limburgse Tongeren. Op twaalfjarig leeftijd trad zij toe tot het benedictijnse Sint-Catharinaklooster te Sint-Truiden. Hoewel ze eerst weinig interesse toonde in het kloosterleven, legde ze zich hier sterk op toe nadat Christus aan haar verscheen tijdens een visioen. Op twintigjarige leeftijd deed ze dan ook haar officiële professie als benedictines. In 1206 zou ze vervolgens vertrekken naar de cisterciënzerinnenabdij van Awirs in Luik, waar ze tot haar overlijden op 16 juni 1246 zou verblijven. Haar latere verering als patrones van het Vlaamse volk en de Vlaamse beweging stamt uit haar verblijfsperiode te Luik, aangezien zij volgens haar biografie tot Maria gebeden zou hebben om een bestuursfunctie binnen de abdij te kunnen ontwijken, waarop de Heilige Maagd het haar onmogelijk maakte om het Frans te leren. Guido Gezelle zou haar na een voorstel van filoloog Jan Hendrik Bormans propageren als patroonheilige van de “dietsche taal en letterkunde”, en Gezelle’s leerling Adolf Duclos zou haar naam opnemen in die van zijn culturele gilde, de Sint-Lutgardisgilde.
Links[wikipedia]
Sources https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199701_01/_lit003199701_01_0034.php
NameMommen, Petrus
Dates° Alken, 30/10/1810 - ✝ Luik, 31/01/1894
SexMannelijk
Occupationpriester; leraar; erekanunnik
BioPetrus Mommen werd op 30 oktober 1810 geboren in Alken als zoon van Nicolas Mommen en Maria Agathe Esselen. Nauwelijks had hij de schoolbanken verlaten of hij werd op 16 augustus 1834 benoemd tot professor moraaltheologie aan het grootseminarie van Luik. Drie dagen later, op 19 augustus 1834, ontving hij in Rolduc zijn priesterwijding. Daarnaast was hij erekanunnik van de Sint-Pauluskathedraal van Luik. In juni 1884 vierde men zowel zijn vijftigjarig priesterjubileum als leraarschap met Franse en Vlaamse teksten van onder meer door August Cuppens en Jacobus Lenaerts. Guido Gezelle kwam voor de gelegenheid voor een tweedaags bezoek naar Luik. Petrus Mommen overleed op 31 januari 1894 in het seminarie van Luik, waar hij ook na zijn emeritaat in 1890 was blijven wonen. Hij werd begraven in zijn geboortedorp Alken.
Links[odis]
SourcesE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, dl. II, p. 227; Geneanet
NameCuppens, Antonius
Dates° Beringen, 18/12/1830 - ✝ Beringen, 12/01/1914
SexMannelijk
Occupationpostbode; beenhouwer
BioAntonius Cuppens werd geboren in Beringen op 18 december 1830. Hij was werkzaam als postbode en beenhouwer. Op 2 oktober 1861 huwde hij in Beringen met Maria Rosalia Bomans (Beringen, 18 maart 1832 – Beringen, 5 december 1898). Hij was de vader van August Cuppens. Antonius Cuppens overleed in Beringen op 12 januari 1914.
SourcesGeneanet

Name - place

NameBeringen
SettlementBeringen
NameBrugge
SettlementBrugge
NameDiest
SettlementDiest
NameHeers
SettlementHeers
NameHeusden-Zolder
SettlementHeusden-Zolder
NameIeper
SettlementIeper
NameKortrijk
SettlementKortrijk
NameLanklaar
SettlementDilsen-Stokkem
NameLeuven
SettlementLeuven
NameLinkhout
SettlementLummen
NameOpoeteren
SettlementMaaseik
NameRoeselare
SettlementRoeselare
NameTongeren
SettlementTongeren
NameVlijtingen
SettlementRiemst
NameWaltwilder
SettlementBilzen
NameZonhoven
SettlementZonhoven

Name - institute

NameLimburgsch Zantersgildeken
DescriptionIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Dating1883-?
Links[wikipedia]

Title - other work

TitleWestvlaamsch idioticon
AuthorDe Bo, Leonard Lodewijk
Date1873
PlaceBrugge
PublisherGailliard
TitleAlgemeen Vlaamsch Idioticon
AuthorSchuermans, Lodewijk W.
Date1865-1883
PlaceLeuven
PublisherGebroeders Vanlinthout en Karel Fonteyn
TitleDe Student: tijdschrift voor het Vlaamsch Studentenvolk (periodical)
AuthorJanssen, Gustaaf; Laporta, August (red.) e.a
Date1881-1930
PlaceLeuven; Lier; Brussel; Laken
Publisher[s.n.]
Links[odis]
TitleOnze Vlaamsche Wekker
Date1882-1887
PlaceLeuven
PublisherA. Meulemans-De Preter

Title[17/06/1884], Luik, August Cuppens e.a. aan [Guido Gezelle]
EditorMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
PrincipalEls Depuydt
Funder Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
PublisherGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Publication PlaceBrugge, Gent
Publication Date2026
Availability Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CitingMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [17/06/1884]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
SenderCuppens, August
Recipient[Gezelle, Guido]
Date Sent[17/06/1884]
Place SentLuik
AnnotationDatum gereconstrueerd op basis van de brieftekst: brief geschreven op de dag na de naamdag van Sint-Lutgardis (= 16 juni); adressaat en plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Physical Description
Support Material 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit, vierkant geruit; bijlage:papier, wit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Condition volledig
Additions bijlage: op alle zijden aanvullingen van A. Cuppens (inkt); op zijde 1 in het midden alle zijden met inkt doorgehaald; op zijde 4: terug te zenden a.u.b. (blauw potlood, hand G.G.)
Manuscript Identification
CountryBelgië
PlaceBrugge
RepositoryGuido Gezellearchief
ID Gezelle Archive7465
Library recordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13829
IIIF manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/275660ba92cb7d6085ad736a68f6c72f56677724/manifest
Content Description
IncipitMet dit briefken komen u dan weêr een
Text Typebrief
LanguagesNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.