+ Geloofd zij Jezus Christus
Ik ben eens gaan uitzien, te Tongeren of er ieverants te vinden was voor uwen Heer broêder, wat gij met Arthur hebt doen vragen. Ja zeker, Mijnheer Carmans, kapelaan van Sint Jan ter steê van Sinte Luitgaarde,[1] schrijft mij “dat hij dien braven heer met ongeduld verwacht. Al wat maar van verre of van kortbij op Mijnheer Gezelle trekt is zoo welkom als broêr of zuster”. Uw Eerw. Heer broeder hoeft dus maar den weg te vragen naar Mijnheer kapelaan van Sint Jan zijn huis. Hij zal dáar t'eten en te drinken krijgen; maar hij zal gaan slapen bij Mijnheer den pastoor van Sint Jan. Hij zal te Tongeren nog een landsman vinden te weten Mijn Eerw Heer Hallewijck, eenen Bruggeling,[2] ook kapelaan bij Mr. Carmans. Zeg of schrijf dat dus aan uwen heer broeder, als 't u belieft. -
Den 19ste van dees maand[3] gaat Rijkaart vande Putte stemmen te Iper,[4] hij komt van bij U nog eens in en uit, waarschijnelijk den eersten numero brengen van “'t Daghet”.[5] Eerw. Heer Pol Daniëls p2een goede Heer die ook nog al genegen is voor de waarheid in zake van volkstaal, heeft ons blatteken geprezen en aanbevolen, hertelijk en ernstig genoeg, in den “Onafhankelijken” van Hasselt.[6] Hij geeft hem terzelfdertijd aan als meêhelper en gever van mededeelingen, ja, zet er zelfs eenigen die hij kent, zegt hij, toe aan, om ons ook te helpen. Wij zullen dien braven heer 'nen dankbare brief schrijven voor zijne vriendelijkheid en zijne beloofde hulp.
Ik was kreeg[7] hier, verleên Woênsdag acht dagen, of ik kreeg het al op mijn brood bij onzen Heer President . . . . voor 't Daghet. Ze waren dien goeden Heer al komen wijs maken - ik weet niet hoe 't mogelijk is - dat ik, onnoozel Cupken[8] t Daghet” had opgericht en schrijven gong! Dat ik nen “mauvais esprit” gong inbrengen in de gestichten van Limburg” etc. etc. Ik heb Mijnheer de President op een beleefde wijze gezeid dat zij hem leugens wijs gemaakt hadden, dat ik een der twintig helpers was van 't Daghet, dat wij gaar geenen “mauvais esprit” wouden inbrengen, maar wel er eenen uitdrijven als wij kosten. Toen heb ik hem eens voor goed p3gevraagd of hij er iets tegen had dat wij, mannen van 't gulleken, alle dagen drij vierdels (3/4 d'heure, (Moelingen) van onzen speeltijd aftrokken om ons Vlaamsch leeren te schrijven en te verdedigen. “Daar steek ik mij natuurlijk niet tusschen”, heeft hij gezeid, “gij kunt dien tijd verbruiken wie gij wilt, als gij uwe plichten maar goed doet.” En zoo kwam ik er toch weer zuiverder van af als ik gemeend had.
Gelukkig dat wij hier een Monseigneur Rutten hebben die niet en verdraagt dat zij ons tegenwerken in ons Vlaamschzijn, anders waren wij al lang in verwatenis[9] geslagen en moesten wij, in 't geheim aanboeren.[10] Maar Mgr Rutten staat voor ons en wij weten zoo goed dat wij bij hem bescherming krijgen en goedwillige aanmoediging.
't Ware toch voorzichtig, dunkt mij, noemdet gij nooit “'t Daghet” in uwe brieven. Want ze maken altijd van een muis 'ne olifant. Zegt dan bijv. 't Vonksken.
Rijkaart kan maar niet uitgekald komen van zijne reis en van zijn gelukkig bij u zijn.[11]







