Ja wel, ik was heim toen ge mij verzocht hebt die t'huisen te bezorgen aan Mr Minnaert.[1] Ik heb geschreven naar de 7 vrienden onzer zaak die ik in Limburg beken, maar en heb van geen eenen ander antwoord gekregen als dees: “'t Spijt mij danig, maar ik zal der niet kunnen zijn”. Zij gaan bekans allegaar naar Luyk, op de geestelike afzondering, die pront[2] dien dag[3] valt.
Zelfs E. H. Polyd. Daniëls die zeker en heel geeren gekomen ware en kan 't niet doen voor de zelfte reden.
Ware de lijkdienst[4] wat vroeger, - eentige dagen maar! - gesteld, daar zouden ten minsten een man of twee, drij, van 't verre Limburg daar zijn: 't best en toe en mist niemand van ons allen.[5]p2Wat ons betreft, Koob, Rijkhart en mij, wij zouden met blijdschap komen al is ons verlof ook den tweeden Oct. uit, maar 1° wij zijn zoo schamele boden van Limburg voor zoo nen man wi E. De Bo Zaliger en 2° de reis kost te veel voor onze studentenbeurskens.[6] Wij kunnen ons trimestergeld goed genoeg opkrijgen met briefwisselingen en tijdschriften te betalen. Wat wij den dierbaren overledene kunnen geven zullen wij: onze gebeden voor zijne zielezaligheid en eene Misse op dien dag. Daar zal voor gezorgd worden.
Kunt gij den dag niet veranderen, mij dunkt dat hij slecht valt - zoo op 't einde van 't verlof - voor alle professors en studenten.
Wij hopen wel dat het verslag van die schoone vergadering zal gedrukt worden p3en dat wij er zoo toch ons nut zullen van halen.[7]
Met groote blijdschap 't goed nieuws van uwen geleerden en beminden Joh. Winkler vernomen. Wij zullen altijd blijven voort bidden, hoe langer hoe meer, voor hem, en 't zal wel moeten lukken![8]
Mijnh. Daniëls zegt dat hij maar twee bijdragen van hem ontvangen heeft, de leste[9] zal uitkomen in Sept.- en Oostm.[10] afl.[11] die gelijk zullen uitkome in 't korte en waar af gij de klad nu wel zult ontvangen hebben zeker?
Ik geloof dat uwen uitleg van koevermoedte[12] niet krek[13] is.
Koe = vache en zouen ze nooit zóó uitspreken in de Kempen, en bezonder te Weert niet.
‘ne koevereer zeggen ze te Peer voor nen huivereer
Kan h niet = k zijn, en zou koevermoedte niet kuiver-moedte zijn, = een genegenheid tot huiveren, een koureizigheid, zóó ze te Beeringen zeggen, en in verder uitgestrektep4beteekenis, een lastigheid, een gewendte van te protten en te zaniken, uit nen donkeren hoek van 't huis waar de koevereer gedoken zit? Wij zullen 't woord maar bewaren tot wij verder bescheid hebben.
Ik zal toch eentige t'huisen opzende aan Mr Minnaerts; misschien is de eene of de andere nog over te halen, en ik zal ook nog eens aan Mr Daniëls vragen of hij niet kan uitstellen van naar Luyk te gaan tot nen anderen keer, en hem daarom uw kaarteke opschikken.







