Hierbij eene lichtprint van Koob en mij, waar wij opstaan met een bladtje vóór ons dat gij eens moet raden wat het is. 't Is onze vaan! Wij konnen 't heel goed lezen; ziet gij óók nog zoo scherp?-
Wij hebben hier met diepe deernis vernomen dat eenige studenten u al te ondankbaar en te schandig beleedigd hebben in een nameloos schimpschrift.[1]
Aie! wat doet het ons bedroefd zijn en vreezen dat het u ook al te fel zal aandoen! Vergeeft het hun, want zij een weten niet wat zij doen, en zij zullen der zeker nu al berouw over hebben, zoo 't God belieft! Wij hopen dat wij, ten minsten, u nooit zoo wreedelik ondankbaar en zullen zijn, maar uwe wijze lessen indachtig zullen blijven: “geen strijd, mer stichtende bouwen!”
God zal 't u loonen, dierbare Meester, dat gij, na meer als 25 jaren zweetens en zwoegens, zoo veel te lijden hebt van uwe eigene leerlingen.







