<Resultaat 2590 van 3122

>

p1
Monsieur le Ministre,[1]

Je viens de lire attentivement le roman Een dure eed de Mlle Loveling;[2] on pourrait l’intituler, en Français, Virginité forcée, conséquence d’un serment fatal. L’auteur s’avoue une non croyante et ne cesse de mettre en lumière l’imbécillité, d’après elle, de ceux qui croient, surtout des bons campagnards. Sous ce point de vue certains passages sont d’un cynisme ganté mais révoltant; v. I. chap. 25 et 26, le baptême d’un enfant de campagnard mis en parallèle et en contraste avec une ventrée de cochonnets, qui viennent d’être mis bas!

L’auteur décrit non sans élégance, ce qu’elle voit des yeux du corps; pour ce qu’elle voit ou prétend voir des yeux de l’âme, elle a la vue faussée ou bien, elle fausse avec intention le coté[3] moral de son récit, qui me paraît impossible ou tout au moins, invraisemblable. Il faut tout le chauvinisme de certains flamingants pour trouver ce récit littérairement bon ou beau.

Un père de famille, littérateur flamand, m’a dit, en parlant d’een dure eed: “C’est un livre perfide et dangereux”: s’il était mieux écrit, je serais de son avis.

Veuillez croire, Monsieur le Ministre, au respectueux dévouement de
Votre très humble serviteur
Guido Gezelle.

Noten

[1] De locatie van de originele brief is onbekend. De brief is enkel in gepubliceerde versie beschikbaar: Jubileumuitgave: Brieven van, aan en over Gezelle II, p. 225 (196b).
[2] Op 11 juli 1898 verzocht uitgever De Seyn-Verhougstraete minister Schollaert om in te tekenen op een heruitgave van de roman Een dure eed van Virginie Loveling (oorspronkelijke uitgave 1892, nadat het verhaal eerder als feuilleton verschenen was). Per brief d.d. 20/07/1898 vroeg de minister Gezelle om advies. Deze vraag was pijnlijk omdat Loveling voor deze roman de vijfjaarlijkse staatsprijs gekregen had ten nadele van Gezelles Tijdkrans. Er werd geen uitgave teruggevonden van 1898. Dit betekent waarschijnlijk dat de uitgave niet doorging omwille van de negatieve reactie van Gezelle en de minister. Zie Schollaerts antwoord aan De Seyn-Verhougstraete op 04/08/1898.
[3] Côté.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamSchollaert, Frans Victor; Schollaert, François
Datums° Wilsele (Leuven), 18/08/1851 - ✝ Sainte Adresse, 29/06/1917
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; politicus
BioFrans Schollaert was de zoon van François Schollaert en Jeanne van der Schrieck. Hij promoveerde tot doctor in de rechten en vestigde zich als advocaat aan de balie van Leuven. Hij werd in 1880 verkozen tot provincieraadslid voor de katholieke partij en was van 1888 tot aan zijn overlijden volksvertegenwoordiger en van 1901 tot 1908 en van 1911 tot 1917 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Bovendien was hij van 1908 tot 1911 eerste minister. In 1890 was hij medestichter geweest van de Belgische Boerenbond.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamSchollaert, Frans Victor; Schollaert, François
Datums° Wilsele (Leuven), 18/08/1851 - ✝ Sainte Adresse, 29/06/1917
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; politicus
BioFrans Schollaert was de zoon van François Schollaert en Jeanne van der Schrieck. Hij promoveerde tot doctor in de rechten en vestigde zich als advocaat aan de balie van Leuven. Hij werd in 1880 verkozen tot provincieraadslid voor de katholieke partij en was van 1888 tot aan zijn overlijden volksvertegenwoordiger en van 1901 tot 1908 en van 1911 tot 1917 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Bovendien was hij van 1908 tot 1911 eerste minister. In 1890 was hij medestichter geweest van de Belgische Boerenbond.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLoveling, Virginie; Marie Virginie, W.G.E. Walter Louis Bonheyden
Datums° Nevele, 17/05/1836 - ✝ Gent, 01/12/1923
GeslachtVrouwelijk
Beroepschrijfster
BioVirginie Loveling was een Vlaamse dichteres, romanschrijfster en essayist, geboren in Nevele en overleden in Gent, een nicht van Cyriel Buysse. Ze debuteerde samen met haar zus Rosalie Loveling met poëzie, maar verwierf vooral faam met haar realistische en geëngageerde proza. In haar romans en novellen behandelde ze thema’s als vrouwenemancipatie, opvoeding, erfelijkheid, vrijzinnigheid en de spanningen tussen liberalen en katholieken. Tot haar belangrijkste werken behoren "Een dure eed", "De twistappel" en "Een revolverschot". Loveling was uitgesproken Vlaamsgezind en liberaal, maar verzette zich tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen het activisme. Haar dagboeken uit de oorlogsjaren gelden als een belangrijk historisch en literair document. In 1896 kreeg ze voor "Een dure eed" de vijfjaarlijkse staatsprijs ten nadele van Gezelles Tijdkrans. Hij noemde haar "une très détestable romancière" en herhaalde zijn oordeel toen minister Schollaert hem in 1898 om advies vroeg over een heruitgave van deze roman.
Links[wikipedia], [dbnl]
BronnenNEVB

Naam - plaats

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Titel - ander werk

TitelEen dure eed
AuteurLoveling, Virginie
Datum1892
PlaatsGent
UitgeverH. Engelcke

Indextermen

Briefontvanger

Schollaert, Frans Victor

Briefschrijver

Gezelle, Guido

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Schollaert, Frans Victor

Naam - persoon

Gezelle, Guido
Loveling, Virginie

Naam - plaats

Kortrijk

Plaats van verzending

Kortrijk

Titel - ander werk

Een dure eed

Titel24/07/1898, Kortrijk, Guido Gezelle aan [Frans Victor Schollaert]
EditeurKoen Calis; Publicatie
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Publicatie, Gezelle Guido aan Schollaert Frans Victor, Kortrijk (Kortrijk), 24/07/1898. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Schollaert, Frans Victor]
Verzendingsdatum24/07/1898
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van de publicatie; locatie origineel onbekend: brief is enkel in gepubliceerde versie beschikbaar.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.225 (196b)
Fysieke bijzonderheden
Staat volledig
Bewaargegevens
Bewaarplaatslocatie origineel onbekend
ID Gezellearchieflocatie origineel onbekend
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.25663
Inhoud
IncipitJe viens de lire attentivement le roman Een dure eed de Mlle Loveling
Tekstsoortbrief
TalenFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.